Shoppen in het museum

Op de expositie ‘Take Me (I’m Yours)’ in La Monnaie in Parijs wordt werk van beroemde kunstenaars weggegeven.

Christian Boltanski, Dispersion, 1991-2015. Foto MARC DOMAGE

Gratis kunst! Wie alleen heeft gehoord van het concept van de tentoonstelling Take Me (I’m Yours) in La Monnaie van Parijs, is verbaasd dat het zo rustig is. Je koopt een kaartje van 12 euro, beklimt de trappen van het prachtige pand en dan strekken zich meer dan tien zalen voor je uit, gevuld met werk van heel beroemde kunstenaars: Christian Boltanski, Wolfgang Tillmans, Yoko Ono, Felix Gonzales-Torres, Gilbert & George, Douglas Gordon, Philippe Parreno, Daniel Spoerri, Danh Vo. En al die werken mag je gebruiken. Opeten. Of beter nog: meenemen.

In de eerste zaal reiken charmante meisjes grote bruine papieren tassen uit, om alle kunst die je wilt hebben in te stoppen. Door die tas wordt de tentoonstelling een geweldige publieke performance: de associatie met boodschappen doen, ‘shoppen’ in een chic museum, maakt de situatie zo ongebruikelijk dat je als bezoeker voortdurend bang bent dat de gangbare sociale codes je door de vingers glippen. Je betrapte jezelf op vragen als: word ik nog geacht naar deze kunstwerken te kijken? Moet ik er gewoon zoveel mogelijk in die tas proppen? Hoeveel hebberigheid valt binnen de grenzen van het acceptabele?

Opmerkelijk genoeg zie ik zelden iemand openlijk iets pakken of opeten. Zelf wacht ik ook liever tot de zaal leeg is voor ik een neptand van Spoerri in mijn mond stop of een button van Gilbert en George in mijn tas. En dan nog hou ik de suppoosten goed in de gaten. Mag dit echt? Want kunst, objecten van waarde en betekenis, oppakken, opeten, meenemen, dat doe je niet. Het maakt meteen duidelijk hoe complex de relatie is tussen kunst, geld, rijkdom en sociaal gedrag – en dat is nog maar het begin.

Want het blootleggen van hebberigheid is niet eens het belangrijkste doel van de tentoonstelling. De eerste versie van Take Me (I’m Yours) werd uitgevoerd in 1995, in de Serpentine Gallery in Londen. Het idee was van Hans-Ulrich Obrist, er deden negen kunstenaars mee onder wie Tillmans, Boltanski en Gordon. Wie de verslagen leest van die tentoonstelling, ziet meteen dat de tijdgeest anders was. In 1995 ging het Obrist nog vooral over het begrip dispersion (verspreiding): door kunstwerken gratis ter beschikking te stellen wilde hij ze breed onder de bevolking verspreiden, om de werken op die manier zoveel mogelijk impact en betekenis te geven. Daaraan zat onmiskenbaar een idealistisch, oud-socialistisch trekje: kunst is voor iedereen, kunst zou geen waarde moeten hebben, kunst is er voor verfraaiing, verheffing, verbetering. Maar die tijden zijn nu wel voorbij.

Op deze tentoonstelling hangt een heel andere spanning: je kunt spullen meenemen die geld waard zijn. Of preciezer: dingen die in de toekomst mogelijk (veel) geld waard zouden kunnen worden. Want geen misverstand, er zitten onmiskenbaar faustiaanse trekjes aan dit project: je mag de spullen dan wel gratis meenemen, je levert er altijd iets voor in. Soms word je geacht een voorwerp terug te geven, soms moet je onderhandelen voor je iets ‘krijgt’. Maar meestal lijkt het of de kunstenaars je slaan met morele of ethische dilemma’s doordat ze de ‘werken’ die ze weggeven welbewust zo onbenullig mogelijk hebben gemaakt, tot het niveau dat je beseft dat je ze, als je ze gratis zou krijgen aangeboden, ongetwijfeld vriendelijk zou afslaan.

Morsige mode

Het beste werk, in dit opzicht, zijn de enorme stapels met gebruikte kleding die Christian Boltanski bij de ingang heeft neergelegd – verwassen, morsig of uit de mode. Tegelijk komen deze stapels heel dichtbij Boltanski’s echte werk: nog in 2010 vulde hij het Parijse Grand Palais met vijftig ton aan kledingstukken waarmee hij indirect verwees naar zijn eigen Joodse achtergrond en de achtergebleven kleren na de Holocaust. Daar sta je dan, als toeschouwer, bij zo’n stapel. Als je een broek of een sok meeneemt, wat doe je dan? Neem je troep mee? Een subtiele echo van een oud Boltanski-werk? Een object dat met macabere symboliek is geladen? Juist het feit dat je als toeschouwer voor een andere ongebruikelijke keuze wordt gesteld zet de zaak op scherp – en maakt het een geweldig werk.

Daarmee is Boltanski’s bijdrage ook wel meteen het hoogtepunt van Take Me. Begrijpelijkerwijs hebben veel kunstenaars relatief op veilig gespeeld: na een rondje door de tentoonstelling blijkt de tas vooral vol te zitten met goedkope gadgets als posters, kaarten, snoepjes, dvd’s, neppillen, foto’s en buttons. Maar er zit nog wel een, tamelijk briljante, adder onder het gras: het feit dat Obrist en co-curator Boltanski Take Me... dit keer hebben georganiseerd in de Parijse Monnaie, waar vroeger geld werd geslagen en die sinds kort als hippe expositieplek wordt gebruikt. Daarmee gaat de expositie ineens heel dwingend over waarde en transformatie: over de manieren waarop in onze maatschappij voorwerpen met een geringe intrinsieke waarde alsnog met waarde en betekenis worden geladen. Kun je met kunst net zo goed speculeren als met aandelen? En is dat wel de bedoeling? Niet voor niets praten de meeste kunstenaars nog steeds niet graag over de waarde van hun werk en vergeleken kunstenaars als Warhol en Duchamp het vervaardigen van kunstwerken (in oplage) met het drukken van geld: bij allebei wordt de waarde van het object voor het overgrote deel bepaald door de autoriteit die het uitgeeft. Dat is het leuke aan deze versie van Take Me: de tentoonstelling is één groot spel met het bevestigen en ondergraven van die artistieke autoriteit, met de financiële consequenties daarvan en met de invloed die dat heeft op de toeschouwer. En deze kunstenaars doen er vrolijk aan mee. Greed is good!