Selfies uit de Gouden Eeuw

Schilders in de Gouden Eeuw laten zien wat ze kunnen in hun zelfportretten: ze zetten zichzelf er mooi op, als op selfies.

In grotten over de hele wereld zijn ze aangetroffen, van die handen, in de prehistorie in verf gedoopt of waar verf omheen is geblazen. Zouden dat de eerste zelfportretten zijn? Ze laten geen gezichten zien, maar ze bewijzen onomstotelijk dat daar toen mensen zijn geweest. Selfies uit de prehistorie. Waarschijnlijk werden de stencils niet alleen door kunstenaars gemaakt, het zijn in die zin geen handtekeningen. Ze werden 40.000 jaar geleden al gemaakt door mannen, vrouwen en kinderen.

De geschiedenis wordt altijd gekleurd door het heden. De grotten met tekeningen werden eerst kathedralen genoemd, maar later bioscopen, waar de afgebeelde dieren in het licht van een flakkerende toorts leken te bewegen als op een tekenfilm. En nu kun je de handstencils selfies noemen. Elke tijd trekt zijn eigen vergelijking.

In de Gouden Eeuw waren het alleen kunstenaars die selfies konden nemen. Het afbeelden van de zichtbare wereld was zo verfijnd geworden dat alleen specialisten zich erop konden zetten. Voor het maken van een zelfportret was talent vereist, gevolgd door jaren van studie. Wat nu mogelijk is met een druk op de knop, was toen slechts voor een enkeling weggelegd. In dat opzicht heeft het heden meer gemeen met de prehistorie dan met de zeventiende eeuw: toen en nu kon iedereen het; daartussen was het een privilege van een enkeling.

Schattig doekje

Hoe treffend dat wij dan nu de schilderijen waarderen die het meest op foto’s lijken. Of lijken foto’s nog steeds op schilderijen? Het paradigma van het portret is nog steeds niet vervangen.

Op de tentoonstelling Hollandse zelfportretten in het Mauritshuis hangt een schattig doekje van het jong gestorven wonderkind Moses ter Borch, halfbroertje van Gerard. Rond zijn vijftiende schilderde hij een zelfportretje dat nu goedgekeurd zou worden als pasfoto. In de catalogus zijn twee krijttekeningen van Moses gereproduceerd die nooit door de keuring zouden komen; hij heeft een spiegel zo dicht bij zijn gezicht gehouden dat zijn trekken vervormd lijken. Afgekeurde kiekjes, twee eeuwen voor dat mogelijk was geschilderd.

Wie de tentoonstelling van 27 schilderijen binnengaat, ziet als eerste Huygh, een man met een baardje die je met zijn voornaam zou willen aanspreken – het Mauritshuis is geen museum maar een café. Een biertje graag, Huygh. Waarom spel je je naam zo uitbundig ouderwets? En waarom staat de tijd plotseling stil, alsof je voor eeuwig in dat ene ogenblik zit?

Huygh Pietersz Voskuyl schilderde deze momentopname in 1638, compleet met baardstoppels, gefronste wenkbrauwen en een beetje rode ogen. Het is alsof hij ons aankijkt, maar hij moet juist naar zichzelf hebben gekeken. Zo’n portret kun je niet maken zonder spiegel.

Op de tentoonstelling in het Mauritshuis kijkt Huygh ook in een spiegel. De expositie is door Jelena Stefanovic inventief vormgegeven als een strak spiegelpaleis. Zo groot als hier kon Huygh zich nog nooit gezien hebben. Spiegels waren in de zeventiende eeuw nog klein en duur. Grote spiegels waren zeldzamer dan schilderijen. In 1683 bracht een grote Venetiaanse spiegel uit de nalatenschap van de Franse minister Colbert drie keer zoveel op als een schilderij van Rubens. De Zonnekoning liet zich niet schilderen maar reflecteren in de nieuwe spiegelzaal in het paleis van Versailles. Daguerre noemde zijn foto’s anderhalve eeuw later ‘spiegels met een geheugen’. Net als in de prehistorie kan iedereen dan weer zelfportretten maken. In de fotografie was het eerste portret een zelfportret, in 1839 gemaakt door Robert Cornelius. Zelfportretten worden daarna zeldzamer. Nu zijn de meeste foto’s die mensen maken juist zelfportretten. Iedereen is erger dan Rembrandt van wie meer dan tachtig zelfportretten bekend zijn. Sommige mensen maken er nu met het grootste gemak elke week zoveel. Of elke dag.

Is deze tijd daardoor de ijdelste? De eerste selfiemaker, soms zelfs de eerste kunstenaar, wordt wel Narcissus genoemd. In deze mythe wordt een jongeling verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. Maar ijdel is hij juist niet: Narcissus weet niet dat hij het zelf is die hij in het water van een stil meer weerspiegeld ziet. Die mythe kan alleen ontstaan zijn in een tijd dat het nog niet gewoon was om jezelf in een spiegel te zien. Of is Narcissus gewoon een dom blondje? Narcissus is juist geen narcist. Het is de schoonheid waar hij verliefd op wordt. Alsof die geheel buiten hemzelf stond, een eigenschap die geheel onpersoonlijk is.

Onderkin en borsthaar

Het produceren van een gelijkenis is bij een portret belangrijk. Als iedereen nog leeft. Tragisch genoeg wordt die gelijkenis naarmate de tijd verstrijkt steeds onbelangrijker. Wie maalt er nog om of Gerrit Dou zichzelf goed getroffen heeft, of Ferdinand Bol echt een onderkin had, Karel Dujardin krullen of Johan Fabritius borsthaar? Op de zelfportretten van deze beroemde schilders is dat iets minder tragisch dan op de schuttersstukken, waarvoor elke burger zelf moest betalen voor zijn gelijkenis. Een nu zien we hun gezichten nog wel maar ze zijn toch zo anoniem als de mensen op de tribune van een televisieshow.

Wat de zelfportretten van nu en toen gemeen hebben is dat ze de waarheid graag aanpassen. Op Instagram kun je de omvang van een taille of de grootte van een bil net zo makkelijk aanpassen als op een schilderij. I woke up like this maar niet heus. In de zeventiende eeuw was de deceptie soms nog duidelijker. Judith Leyster schilderde zichzelf aan het werk met een teer kanten kapje op haar hoofd en een zeer brede kraag om haar nek. Zou ze echt zo uitgedost aan het werk zijn gegaan?

Door het gemak waarmee de waarheid van penseel en photoshop afglijdt heeft lelijkheid bijna een nieuwe status gekregen. Schoonheid hoort vanouds bij goedheid maar lelijkheid is betrouwbaarder. Oopjen moet er wel bijna echt zo hebben uitgezien als op het portret dat Rembrandt van haar en Maerten maakte. Alleen bij Rembrandt zelf vervalt het onderscheid. Alles is ijdelheid, alles is opgeheven. De spiegel, dat zijn wij.