ProRail mag goederentarieven verhogen

Goederenvervoerders protesteerden tevergeefs tegen hoger tarief voor gebruik van het spoor.

Een poging van spoorgoederenvervoerders om een beslissing van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) bij de rechter aan te vechten, is mislukt. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in Den Haag heeft hun beroep gisteren niet ontvankelijk verklaard omdat het te laat werd ingediend. Een door de goederenvervoerders beoogd kort geding is hiermee van de baan.

De zaak gaat over de vergoeding die spoorbeheerder ProRail van vervoerders krijgt voor gebruik van het spoor. Behalve die vergoeding krijgt ProRail ook 1,2 miljard euro van het Rijk. Dit jaar vraagt ProRail 299 miljoen euro aan alle spoorgebruikers, volgend jaar stijgt dat naar 330 miljoen euro. Er zijn drie soorten gebruikers: spoorbedrijf NS, regionale vervoerders Arriva, Connexxion, Veolia en Syntus en de spoorgoederenvervoerders.

Na een klacht van de regionale vervoerders over de prijsverhoging voor het spoorgebruik oordeelde de ACM in juli dat ProRail niet voldoet aan de Spoorwegwet en dat de tarieven voor deze vervoerders omlaag moeten. De reden: hun treinen zijn lichter dan NS-treinen en veroorzaken daardoor minder slijtage aan het spoor.

Waterbedeffect

De verlaging voor de regionale vervoerders betekent echter een verhoging voor de zwaardere NS-treinen en en de nog zwaardere treinen van de goederenvervoerders. Er is sprake van een waterbedeffect: als de een minder gaat betalen, betaalt de ander meer.

Volgens de goederenvervoerders gaat het in 2016 om een lastenverzwaring van 6,7 procent, na een eerdere verhoging van 20 procent dit jaar. De nieuwe, laat doorgevoerde verhoging is schadelijk voor de concurrentiepositie van het Nederlandse spoor en daarmee ook van de Rotterdamse haven, zeggen de goederenvervoerders. Hun klanten zullen vaker kiezen voor buitenlandse spoorroutes of vervoer over het water of de weg.

Ondernemersvereniging KNV en de grootste goederenvervoerder op het Nederlandse spoor, DB Schenker, verzetten zich daarom tegen het besluit van de ACM. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven oordeelde alleen over de ontvankelijkheid van de bezwaren tegen het ACM-besluit.

Daarbij ging het om de vraag of de beroepstermijn van zes weken wel of niet was overschreden. Volgens KNV, DB Schenker en NS ging die termijn pas in op 24 juli, een dag nadat het besluit via de website van de ACM werd gepubliceerd.

Volgens de ACM en de regionale vervoerders begon de termijn al een paar weken eerder, op 3 juli, een dag na bekendmaking van het ‘geschilbesluit’ aan de direct betrokken partijen, namelijk ProRail en de regionale vervoerders.

De rechter gaf de ACM en de regionale vervoerders gelijk. De spoorgoederenvervoerders dienen nu alsnog een klacht in bij de toezichthouder. De procedure kan negen maanden duren.