‘Met epo fiets je niet sneller’

Epo een wondermiddel? Nooit is wetenschappelijk bewezen dat het wielrenners helpt, stelt psycholoog Bram Brouwer.

Lance Armstrong raakte zijn zeven Tourzeges kwijt wegens gebruik van onder meer epo. „We straffen mensen voor dingen waarvan niet vaststaat of ze kloppen”, stelt sportpsycholoog Bram Brouwer. Foto Joel Saget/AFP

Het dopingmiddel epo laat wielrenners niet harder rijden. Lance Armstrong won zijn zeven Tours de France wel mét, maar niet dóór epo. Dat schrijft sportpsycholoog Bram Brouwer in zijn proefschrift, dat hij morgen verdedigt.

Epo geldt als enige dopingmiddel dat echt prestaties van duursporters verbetert. Het is een stof die de aanmaak van rode bloedcellen bevordert. Rode bloedcellen transporteren zuurstof van de longen naar de spieren. Als de zuurstoftoevoer een beperkende factor is, verbetert epo dus het trapvermogen van de wielrenner.

Toen het epogebruik begin jaren negentig aan het licht kwam raakte de wielrennerij langzaamaan in crisis. Het leidde tot politie-invallen in rennershotels. Ploegartsen en -leiders en coureurs zaten dagen in hechtenis. Rabobank en andere grote sponsoren haakten af. Lance Armstrong raakte uiteindelijk zijn zeven overwinningen (1999-2005) in Frankrijk kwijt en is nog steeds in rechtszaken verwikkeld.

„Het lijkt op heksenvervolging. We straffen mensen voor dingen waarvan niet vaststaat of ze kloppen”, zegt Bram Brouwer. Nooit is wetenschappelijk goed aangetoond, zegt hij, dat epo bij topwielrenners de prestaties verbetert.

Op drie manieren poogt Brouwer in zijn proefschrift aan te tonen hoe slechte wetenschap ons, de renners en de dopingbestrijders een rad voor ogen heeft gedraaid. Veel aandacht kregen een paar jaar terug twee onderzoeken die aantoonden dat in het epotijdperk (de jaren negentig) de toppers in het wielrennen een paar procent sneller reden. Het waren onderzoeken van de Fransman Nour El Helou en de Zwitser Thomas Perneger. „Die studies zijn verschrikkelijk slecht van kwaliteit”, verzucht Brouwer.

Een van de onderzoekers vergeleek de epoperiode van 1993 tot 2008 met de hele naoorlogse periode van 1945 tot 1992. Samen met statisticus Hein Lodewijkx deed Brouwer het nauwkeuriger. Hij analyseerde de uitslagen van de ronden van Frankrijk, Italië en Spanje – de drie belangrijkste etappewedstrijden – per periode van vijf jaar, van 1947 tot 2008. Hun conclusie is dat het wielrennen begin jaren zestig en in de jaren tachtig tweemaal een grote sprong voorwaarts maakte. En in de jaren zeventig en in de epo-jaren-negentig juist niet.

Geruchtmakend onderzoek

En een directe replicatie van een van die geruchtmakende onderzoeken, met een betere statistische methode, gaf een tegengestelde uitslag: geen epo-versnelling. Brouwer: „Wielrenners fietsen steeds sneller sinds wielrennen bestaat. Maar in de epotijd zijn ze helemaal niet harder gaan fietsen.”

In een theoretisch-fysiologische analyse laat Brouwer ook zien dat de kans klein is dat epo een wielrenner sneller vooruit helpt. „Vanuit de theorie kan ik niet verklaren dat epo bij een topatleet zou werken. Mogelijk gaan ze er zelfs mínder door presteren.” Een derde belangrijk argument van Brouwer is dat de wetenschap nooit goed heeft aangetoond dat epo de prestaties verbetert.

Brouwer en een paar collega’s zochten alle bestaande onderzoeken naar prestatieverbetering door epo: 17. Uit die zogenaamde meta-analyse komt dat een epo-gebruiker 3 tot 4 Watt meer vermogen levert dan een niet-gebruiker. Maar in de koers levert een wielrenner soms wel 700 Watt. Brouwer zwakt die 3 Watt verschil verder af: „Statistisch gezien moesten we het grootste deel van dat verschil toewijzen aan andere experimentele factoren dan epo. In de wielersport waarin tactiek en teamspel de hoofdrol spelen valt het verschil echt weg. In het schaatsen, waarbij iedere sporter in een eigen baan start, kan dat anders zijn.”

Toch zijn er tijdritten en aankomsten bergop waar grote rondes met seconden verschil worden beslist. En daar is de renner vooral op zichzelf aangewezen. „Zelfs bergop heb je nog profijt van achter iemand te rijden”, werpt Brouwer tegen. „Kijk maar hoe Fabio Aru dit jaar de ronde van Spanje won. Dumoulin lag op gegeven moment elf seconden achter. Toen lieten ploegmaats van Aru zich terugzakken uit een kopgroep en namen hun kopman op sleeptouw. Daarna liep het verschil op tot minuten.”

Van de dopinglijst

Na zo’n proefschrift is de vraag of epo van de dopinglijst moet. Met als kanttekening dat er heel veel middelen op die lijst staan waarvan bekend is dat ze prestaties niet verbeteren. Ze staan erop om gezondheidsschade te voorkomen, werpen dopingbestrijders dan tegen. „Ik ga niet over de dopinglijst”, zegt Bouwer. „Ik ben tegen epo-gebruik, maar voor gezonde topatleten zijn de gezondheidsgevaren van epo niet erg groot. De gezondheidsrisico’s van epo zijn in ieder geval aanzienlijk geringer dan de gezondheidsrisico’s van wielrennen.”