‘Met epo fiets je helemaal niet sneller’

Lance Armstrong in 2005. Foto EPA / OLIVIER HOSLET

Het dopingmiddel epo laat wielrenners niet harder rijden. Lance Armstrong won zijn zeven Tours de Frances wel mét, maar niet dóór epo. Dat schrijft sportpsycholoog Bram Brouwer in zijn proefschrift, dat hij morgen verdedigt.

Epo geldt als enige dopingmiddel dat echt prestaties van duursporters verbetert. Het is een stof die de aanmaak van rode bloedcellen bevordert. Rode bloedcellen transporteren zuurstof van de longen naar de spieren. Als de zuurstoftoevoer een beperkende factor is, verbetert epo dus het trapvermogen van de wielrenner.

Politie-invallen

Toen het epogebruik begin jaren negentig aan het licht kwam raakte de wielrennerij langzaamaan in crisis. Het leidde tot politie-invallen in rennershotels. Ploegartsen en -leiders en coureurs zaten dagen in hechtenis. Rabobank en andere grote sponsoren haakten af. Lance Armstrong raakte uiteindelijk zijn zeven overwinningen in Frankrijk kwijt en is nog steeds in rechtszaken verwikkeld.

“Het lijkt op heksenvervolging. We straffen mensen voor dingen waarvan niet vaststaat of ze kloppen”, zegt Bram Brouwer. Nooit is wetenschappelijk goed aangetoond, zegt hij, dat epo bij topwielrenners de prestaties verbetert. Op drie manieren poogt Brouwer in zijn proefschrift aan te tonen hoe slechte wetenschap ons, de renners en de dopingbestrijders een rad voor ogen heeft gedraaid.

Slecht onderzoek

Veel aandacht kregen een paar jaar terug twee onderzoeken die aantoonden dat in het epotijdperk (de jaren negentig) de toppers in het wielrennen een paar procent sneller reden. “Die studies zijn zo verschrikkelijk slecht van kwaliteit”, verzucht Brouwer. Een van de onderzoekers vergeleek de epoperiode van 1993 tot 2008 met de hele naoorlogse periode van 1945 tot 1992.

Samen met statisticus Hein Lodewijkx deed Brouwer het nauwkeuriger. Hij analyseerde de uitslagen van de ronden van Frankrijk, Italië en Spanje – de drie belangrijkste etappewedstrijden – per periode van vijf jaar, van 1947 tot 2008. Hun conclusie is dat het wielrennen begin jaren zestig en in de jaren tachtig tweemaal een grote sprong voorwaarts maakte. En in de jaren zeventig en in de epo-jaren-negentig juist niet.

In een theoretisch-fysiologische analyse laat Brouwer ook zien dat de kans klein is dat epo een wielrenner sneller vooruit helpt.

“Vanuit de theorie kan ik niet verklaren dat epo bij een topatleet zou werken. Mogelijk gaan ze er zelfs mínder door presteren.”

Een derde belangrijk argument van Brouwer is dat de wetenschap nooit goed heeft aangetoond dat epo de prestaties verbetert.

Brouwer en een paar collega’s zochten alle bestaande onderzoeken naar prestatieverbetering door epo: 17. Uit die zogenaamde meta-analyse komt dat een epo-gebruiker 3 tot 4 Watt meer vermogen levert dan een niet-gebruiker. Maar in de koers levert een wielrenner soms wel 700 Watt. Brouwer zwakt die 3 Watt verschil verder af:

“Statistisch gezien moesten we het grootste deel van dat verschil toewijzen aan andere experimentele factoren dan epo. In de wielersport waarin tactiek en teamspel de hoofdrol spelen valt het verschilweg. In het schaatsen, waarbij iedere sporter in een eigen baan start, kan dat anders zijn.”

‘Epo werkt wel’

Berend Nikkels verwerpt de conclusie van Bram Brouwer. Nikkels deed begin deze eeuw met Utrechts hoogleraar interne geneeskunde Marx onderzoek naar de effecten van epo-gebruik bij profwielrenners. “Daar kwam wel degelijk uit dat epo een positieve invloed had op de prestaties tot wel zeven procent”, stelt de huisarts uit Breda, destijd begeleider van Nederlandse topsporters. Sportpyscholoog Brouwer gaat er volgens hem “volstrekt aan voorbij dat epo nog andere positieve effecten heeft dan alleen de aanmaak van rode bloedlichaampjes. En vraag maar aan Bjarne Riis of hij zonder epo ook op het buitenblad had kunnen winnen op Hautacam.” De Deen won in 1996 op superieure wijze de Tour en gaf in 2007 epo-gebruik toe.

Ook onafhankelijk dopingdeskundige Klaas Faber ziet in prestaties bergop het beste bewijs dat epo werkt. “Als je de klimtijden op Alpe ‘d Huez naast elkaar zet, scheelt het gewoon twee minuten.” In de jaren negentig bracht de Italiaan Marco Pantani het record terug tot 36 minuten, 40 seconden.