Mariken op zoek naar zichzelf, en seks

Actrice en componiste zien de duivelse escapades van Mariken van Nieumeghen als emancipatie.

Hannah Hoekstra als Mariken in de voorstellingMariken in de Tuin der Lusten Foto Deen van Meer

Ze zien elkaar niet vaak in het repetitieproces, dus waar actrice Hannah Hoekstra (1987), die de rol van Mariken speelt in de nieuwe opera Mariken in de Tuin der Lusten in een dubbelinterview met componiste Calliope Tsoupaki (1963) de kans ziet, overstelpt ze haar gretig met vragen. Kende Calliope, Grieks van geboorte, dit oer-Hollandse mirakelspel? Hoe ziet zij de persoon van Mariken? Wat kwam eerst bij het componeren, de zang of de muziek? En waarom koos Tsoupaki ervoor het personage Mariken uitsluitend sprekend op te voeren? Hoekstra: „Is dat een artistieke keuze, of is het omdat ik niet kan zingen?” Tsoupaki lacht genereus en ratelt al even uitbundig over haar beweegredenen. Bijna kan de interviewer rustig achteroverleunen.

Maar eerst nog even de feiten. Mariken in de Tuin der Lusten is gebaseerd op het vroeg zestiende-eeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen. Daarin wordt het onschuldige meisje Mariken verleid door de duivel (‘Moenen met het ene oog’). Hij neemt haar mee naar Antwerpen en zeven jaar ‘woont ende verkeert’ zij met hem, als zijn vrouw, zijn maîtresse, terwijl hij haar ondertussen alle talen van de wereld leert en inwijdt in de ‘zeven vrije kunsten’. Maar Mariken krijgt berouw, biecht haar schande op en doet boete in het klooster. Na lang afzien wordt ze uiteindelijk van hogerhand vergeven en kort daarop sterft zij verlicht. De moraal: hoe erg de zonde ook is, wie biecht kan vergiffenis krijgen.

Hoekstra en Tsoupaki vatten het verhaal anno 2015 heel anders op. Uit hun labyrintische associaties kunnen vijf ‘motieven’ worden gedestilleerd, die in deze nieuwe productie worden benadrukt en waarmee ‘Mariken’ eigentijdse relevantie krijgt. Hoekstra: „Geilt ze nou gewoon op die Moenen, of is het meer een loverboy-achtige situatie?”

1 Liefde

Calliope Tsoupaki: „Mariken is een bleu, maagdelijk meisje, dat als een blok valt voor de wereldlijke Moenen. Hij is aantrekkelijk, sexy en mysterieus, met dat ene oog – bij ons draagt hij ook een ooglapje. Hij is slecht nieuws, zeker, maar o zo verleidelijk. Die ambivalentie heb ik in de muziek gevat, door bijvoorbeeld het gebruik van een zingende zaag; een vreemd, en toch betoverend instrument, ontregelend en ontroerend. Die aantrekkingskracht van een slechte man kennen we allemaal. Je snapt niet waarom je op hem valt, en je wéét dat het beter zou zijn van niet, maar toch. Hij is niet alleen maar slecht.”

Hoekstra: „Oh, ik vind hem wel door en door slecht! Wat hij doet, een meisje zo kapot maken, dat is gewoon verschrikkelijk, punt. Maar het wordt interessant vanuit haar perspectief: waarom gaat zij toch met hem mee? Het antwoord daarop is volgens mij, onder meer, seks.”

2 Seksualiteit

Voordat ze Moenen ontmoet, als Mariken nog bij haar oom, priester Gijsbrecht, woont, vindt ze een gedichtje dat een vuur in haar ontsteekt: ‘My docht dat ic in roode rooskins lach.’ Hoekstra tegen Tsoupaki: „Je weet wat rode roosjes betekent toch? Dat is gewoon een vagina.”

Tsoupaki: „Dat wist ik niet!”

Hoekstra: „Het komt erop neer dat ze een pornoblaadje vindt bij die oom, en dat wakkert bij haar de interesse in seks aan. Dus zo kun je haar ook zien: een jonge vrouw op zoek naar haar eigen seksualiteit. Mariken kent alleen maar het lichte en het zuivere, en raakt gefascineerd door het duistere. Ze zoekt het gevaar doelbewust op, want ze wil ontdekken, op avontuur. Ze wil léven.”

3 Emancipatie

Ja, Mariken heeft haar eigen agenda, ziet ook Tsoupaki. Het reizen en het leren van de talen en kunsten horen daarbij. „Als Moenen op zeker moment aan haar wil zitten, zegt ze: hoho, leer mij eerst maar eens die dingen die je me beloofd hebt!” Zo beschouwd is haar vlucht met de duivel een bevrijding. Bij aanvang woont Mariken bij haar streng gelovige oom. Daar komt ze dankzij Moenen onderuit. Tsoupaki: „Het is een slim meisje. En ze is nergens bang voor.”

Hoekstra vertelt dat de regisseur graag wil dat ze Mariken aanvankelijk volkomen blanco speelt. „Maar dat is heel lastig, en dat geloof ik ook niet.” Tsoupaki vult aan dat dat ook moeilijk in muziek is te vatten. „Ik kan niet eerst een kinderliedje componeren, dan een puberdeuntje en dan een nummer voor de wijzere Mariken.” Bulderlach. „Dat is meer iets voor musical.”

Tsoupaki koos ervoor Mariken als enige alleen sprekend op te voeren. „Dat benadrukt de kloof die gaapt tussen haar en de anderen. Mariken staat alleen. Tegelijk geeft het haar een voorsprong bij het publiek. Zij komt dichterbij dan de zangers.”

Uiteindelijk keert Mariken na haar escapades terug in de klauwen van de kerk. Als je het verhaal ziet als een seksuele ontdekkingstocht en een poging tot emancipatie, is dat slot behoorlijk cru: Mariken wordt zwaar gestraft en letterlijk geketend. Hoekstra: „Het is een diepzwart einde.”

4 Religie

Hoekstra: „De schrijvers bedoelden na- tuurlijk juist dat ze verlicht raakt. Maar in mijn beleving laat ze zich weer knechten door het geloof. En verlossing is er pas in de dood.” In de opera werkt de zanger die Moenen speelt actief mee bij haar bestraffing. „Je zou zelfs kunnen denken dat de duivel achter haar straf zit.”

Tsoupaki: „Ja, dat zit hij zeker. Hij blijft op toneel aanwezig; hij helpt de paus zich aan te kleden. Daarmee laten wij zien: het kwaad schuilt óók in dat religieus fundamentalisme. Iedereen doet mee met het straffen van Mariken.”

Muzikaal verwijst Tsoupaki naar de middeleeuwse oorsprong van het verhaal met instrumenten van weleer: de vièle, de draailier en de organetto, een klein orgeltje. Ze schreef er oosters klinkende melodieën voor. „Expres, omdat ik weet dat het in westerse oren soms vals klinkt. In het westen heeft men een nogal rigide muziekopvatting, oosterse modulaties gelden als slecht. Die vooroordelen gebruik ik in de compositie – het is tenslotte een allegorische opera, terwijl ik ze tegelijk probeer te ontkrachten.”

En zo komen we uit bij:

5 Medemenselijkheid

Voelt Mariken in het origineel berouw na het zien van een religieus wagenspel, in de opera is het een poppenspel met een wel heel actueel thema dat haar tot inkeer brengt. De verteller spreekt over ‘gammele bootjes vol lijken die aanspoelen op stranden’. Tsoupaki: „Zo’n mirakelspel sprak zich expliciet uit over de tijd van toen, en wij zeggen iets over het nu.”

Hoekstra: „Het poppenspel doet een appèl op haar geweten. Niet haar religieuze, maar haar menselijke geweten. Ze zat met Moenen ook wel een beetje in een hedonistische egotrip. Nu wordt ze als mens aangesproken op een maatschappelijke misstand en dat grijpt haar aan. Het is een hedendaags humanistisch equivalent van het morele appèl in het origineel, dus het klopt dat het erin zit. En het is hoognodig, bovendien.”