Een dame uit Whistlers bankroet

Een doek dat ruim twintig jaar in het depot van het Singer Museum in Laren heeft gestaan, blijkt een werk van de Amerikaanse schilder Whistler te zijn. Met ‘Symphony in White’ heeft Nederland er een tweede Whistler bij.

Na onderzoek toegeschreven aan Whistler: Symphony in White. Olieverf op doek, 76,7 x 62,4 cm

Het is beschadigd. En het is niet af, het ongesigneerde schilderij Symphony in White. Girl in muslin dress dat het Singer Museum na grondig onderzoek nu weer toeschrijft aan de Amerikaanse kunstenaar James Abbott McNeill Whistler (1834-1903). De onvolkomenheden aan het schilderij, een portret van een jonge dame in een losjes geschilderde wufte, witte jurk, zijn in zekere zin niet erg, legt Jan Rudolph de Lorm, directeur van Singer Laren, uit: „Want het bevestigt onze theorie dat het doek een onaf, opgerold schilderij uit het atelier van Whistler in Londen was, dat verkocht is na zijn geruchtmakende faillissement in 1879.”

Geruchtmakend was Whistlers faillissement zeker. Of eigenlijk was de aanleiding tot het faillissement geruchtmakend. Whistler, Amerikaan van geboorte, leefde eind negentiende eeuw als een dandy in Londen, in kringen van collega-schilders en dandy’s als de schrijver Oscar Wilde. Hij maakte deel uit van wat wel de esthetische beweging wordt genoemd: kunstenaars die kunst om de kunst, ‘Art for Art’s Sake’ predikten. Kunst was in zichzelf mooi en waardevol – nuttig of drager van een moralistische boodschap hoefde kunst van deze estheten niet te zijn. Dat was in die moralistische Victoriaanse tijd een rebels geluid. Ze werden dan ook uitgelachen of met hoon overladen.

Whistler legde zich, na een leertijd in Parijs, waar hij onder invloed van realistische schilders als Courbet stond, toe op een eigen ontwikkeld esthetisch impressionisme. „Niet de onderwerpen die hij schilderde waren belangrijk, maar zijn stijl, zijn kleurgebruik. Hij wilde vooral kleurenharmonieën maken. Het ging hem in de eerste plaats om de abstracte kleurenpoëzie. Whistler was daarin een revolutionaire meester”, vertelt De Lorm.

Vandaar dat Whistler zijn schilderijen ook titels gaf als Arrangement in Gray and Black, No. 1, zijn beroemdste schilderij: dat was een portret van zijn moeder, uit 1871.

In 1878 exposeerde Whistler in de Grosvenor Gallery in Londen een aantal geschilderde nachtimpressies, nocturnes. De critici vonden het niks. The Times noemde het (met een verwijzing naar het in die tijd populaire spiritisme) ‘geestverschijningen’ in de Londense mist. Een duur verkocht doek, een indruk van uitspattende vuurwerkpijl, Nocturne: Black and Gold – The Falling Rocket (1875), was de belangrijkste Britse kunstcriticus John Ruskin een doorn in het oog. „Ik had nooit verwacht dat ik een zot tweehonderd guineas zou horen vragen voor het smijten van een pot verf in het gezicht van het publiek”, schreef Ruskin erover. Zoveel geld, 200 gouden munten, voor een in zijn ogen onaf doek, dat deugde niet.

Dat schoot Whistler, die een opvliegend karakter had, weer in het verkeerde keelgat. Hij spande tegen Ruskin een proces aan wegens laster. De rechtszaak werd een enorm schandaal. Whistler won, maar kreeg van de jury en rechter, die de zaak eigenlijk maar niks vonden, niet meer dan een symbolische schadevergoeding: het luttele bedrag van 1 farthing – destijds de kleinste Britse munteenheid. En hij moest zijn eigen dure proceskosten betalen. Whistler leefde al op de pof, en deze tegenvaller betekende zijn faillissement. Ook Ruskins reputatie was geknakt, en hij zegde zijn baan als kunstprofessor in Oxford op.

Whistler vluchtte naar Venetië, waar hij in opdracht etsen ging maken. In Londen werden zijn huis en atelier, en de hele inboedel verkocht. De Lorm: „Onze Whistler, Symphony in White, is voor zover wij na kunnen gaan een van de vijftig deels onaffe, opgerolde doeken uit het atelier waarvan verschillende gekocht zijn door kunsthandelaar Walter Dowdeswell, die veel Whistlers kocht.” De beschadigingen op het doek zijn waarschijnlijk het gevolg van het oprollen.

Kunsthistoricus Arie Wallert van de Universiteit van Amsterdam heeft met een team Symphony in White met de modernste röntgen- en infraroodtechnieken nauwkeurig onderzocht – en vergeleken met andere, soortgelijke portretten van Whistler, onder meer in Glasgow. „De manier waarop dit portret is opgezet en de verfbehandeling komt overeen met andere portretten van Whistler. We kunnen met infrarood zien dat hij de houding van het model eerst anders heeft opgezet; ze stond eerst meer afgewend, en daarna is ze meer frontaal geschilderd.”

Dat voortdurend zoeken is hoe Whistler werkte, zegt Wallert. „Hij liet modellen poseren en veranderde dan per sessie soms de opzet. Ook de manier waarop de rok geschilderd is en de dunne verf van het gezicht, dat is onmiskenbaar de hand van Whistler. De achtergrond met gordijnen is later door anderen ingevuld, denken wij. Ook het materiaalonderzoek leverde bewijs op. Er zaten barium- en strontiumsulfaat in de verf: precies dezelfde die Whistler ook in andere schilderijen verwerkte.”

Oorspronkelijk was het doek groter, blijkt uit Wallerts materiaalonderzoek: „We denken dat het opgezet was als een portret ten voeten uit. Whistler was daarin gespecialiseerd, hij heeft verschillende van die grote full length portretten gemaakt, in opdracht. We denken dat Symphony in White ook een opdracht was, mogelijk een portret van een dochter van de Londense kunstverzamelaar Alexander Constantine Ionides. Omdat het onaf was, is het bijgesneden om het beter verkoopbaar te maken.”

Ook de lijst om het doek, blijkt uit onderzoek, is van Whistler. Ook die is later kleiner gemaakt. Om al die redenen vindt Wallert het volkomen terecht dat het Singer Museum in Laren het zorgvuldig schoongemaakte en gerestaureerde doek nu voortaan exposeert als: toegeschreven aan Whistler.