De dag van Campert ~ Een zakcentje ~

Vandaag krijgt Remco Campert (86) de Prijs der Nederlandse Letteren. Schrijver Atte Jongstra schreef een Campertiaans verhaal als ode aan de gelauwerde auteur. Jonge schrijvers vertellen waarom zij schatplichtig zijn aan Campert.

Ik droomde van een voorwerp dat steeds groter werd. Zoemend als een bromtol kwam het op me af en dreigde het me te verpletteren. Het was een soort medaille. Ondanks het nachtelijke duister glom het alsof de zon erop scheen. Ik was bang dat hij me de kop zou kosten. Om me heen hoorde ik enthousiaste stemmen. „Hij krijgt hem, hij krijgt de grootste prijs!” Ik vluchtte in het wakker worden.

Uit de droom ontwaakt zat ik verwonderd, met wijdopen, nietsziende ogen, rechtop in bed. Mijn vrouw drukte me troostend tegen zich aan. Ze zei dat het maar een droom was. Ook mijn dochter kwam kijken. Ze toverde een nat washandje te voorschijn en depte mijn gezicht.

„Hij heeft naar gedroomd”, zei mijn vrouw.

„Een nachtmerrie”, knikte mijn dochter.

Ik ben met het verkeerde been in bed gestapt, dacht ik. Het zou beter zijn als ik dat in de toekomst wist te voorkomen.

Het was ook veel te druk voor me geweest die dag. Eerst naar een uitgeversborrel. Iedereen kwam op mij toe. Het was ‘Proficiat’ voor en ‘Van harte’ na. Handen schudden, zoenen, klappen op mijn schouder.

„Toch een geschenk uit de hemel?” zei een vrouw die ik nooit eerder had gezien.

„Een mooi zakcentje”, zei mijn uitgever. „Wat ga je met dat geld doen?”

„Dat hou ik zorgvuldig in mijn broekzak”, zei ik. „Daar horen die centjes thuis.”

Dat vonden ze erg geestig.

„Altijd lachen met jou...”

„Misschien is die prijs ook wel een grap”, zei ik. „Ik zie wel wat ervan komt.” Het leverde alleen maar meer geschater op.

Daarna ging ik voor een afzakkertje naar een café achter het Concertgebouw, met Jan Cremer, de schrijver die zich sinds 1957 zo geducht in het internationale leven manifesteert. Jan Mulder ging ook mee, de schrijvende voetballer die nog steeds over een prima conditie beschikt. Misschien waren er meer Jannen bij, maar deze twee herinner ik me. Zij bleven staan, ik zat in die kroeg als vastgelijmd op een bank van rood pluche. Ik voelde me een soort standbeeld, al zitten die zelden.

„Nog één! Nog één!” Ik kon er niet genoeg van krijgen en dronk veel te veel.

„Je mag pas weg als het licht weer aan gaat”, zei iemand die ik niet herkende, omdat het licht uit was.

„Mijn conditie is niet zo goed als die van Jan”, wist ik uit te brengen.

„Welke Jan?”

„Allebei.”

Toen deed iemand het licht weer aan en kon ik eindelijk weg. Ik moet ook thuis zijn gekomen, want ik lag in mijn eigen bed toen ik die bromtol op me af zag komen.

Zo dadelijk gaat mij iets overkomen en ik weet wat het is, ik heb er vannacht zelfs over gedroomd. Ik krijg een prijs en een zakcentje. Straks wordt er aangebeld door mijn uitgever die mij in de auto meeneemt naar Brussel. Mijn vrouw en mijn dochter gaan ook mee.

Ik sta voor de spiegel in de slaapkamer moeizaam mijn stropdas te strikken als mijn vrouw binnenkomt. „Bijna klaar?”

Ik knik.

„Het is de grootste prijs die er is”, zegt ze, terwijl ik probeer mijn aandacht bij de das te houden. „En je hebt hem zo verdiend! We gaan het dik vieren in Brussel!”

Ik stel me de ochtend na de uitreiking voor, als alles achter de rug is. Ik loop over een brede Brusselse avenue, zachtjes aangeraakt door het eerste zonlicht. Ik koop een krant bij een net opengaande kiosk, en drink koffie in een café waarvan de muren volhangen met foto’s van bekende revueartiesten. Een oude heer met een lintje in het knoopsgat van zijn versleten kostuum en een klein wit hondje naast zich op de bank drinkt zijn eerste glas bier van de dag. In dit niemandsland kan ik me even voorstellen dat ik een normale burger ben.

Maar zover is het nog niet. Er wordt aangebeld. Dat zal de uitgever zijn. Hij omhelst me, ik ga naast mijn vrouw op de achterbank zitten. Hij start de auto, draait zich om en roept: „Een gedenkwaardige dag!”

„Geweldig!” knikt mijn vrouw.

„Ja”, zeg ik, tot mijn verbazing gemeend. „Het is een geschenk uit de hemel.”