3.000 meningen voor één Nobel

Het gaat om de hoogste eer, dus wordt er alom gelobbyd voor een Nobelprijs. De Nobelcomités zijn maanden aan het schiften.

De Nobelprijs is de prijs der prijzen, maar waarom eigenlijk? „Omdat de keuze voor de winnaars zo grondig en zorgvuldig wordt gemaakt”, zegt natuurkundige Gerard ’t Hooft, die de Nobelprijs voor de Natuurkunde in 1999 won.

Kankeronderzoeker Hans Clevers – die een lange lijst aan prijzen heeft, maar nog geen Nobelprijs – zegt: „De comités maken zelden fouten in hun keuze. De prijzen gaan naar de echte ontdekkers, en niet naar handig manoeuvrerende mensen.”

De Nobelprijs is Zweeds en bestaat sinds 1901. Er zijn er elk jaar zes te verdelen. Voor de natuurkunde, chemie en geneeskunde zijn comités van deskundigen aangesteld, van 6 of 7 personen. Het kiezen van een winnaar kost hun ruim een jaar. In september versturen de comités circa 3.000 nominatieformulieren naar mensen binnen hun discipline. Het gaat om topwetenschappers, oud-Nobelprijswinnaars en leden van de Zweedse Academie van Wetenschappen (450 Zweden en 175 buitenlanders).

„De comités werpen hun net heel breed uit”, zegt Clevers. Hij weet dat in Nederland, voor de geneeskunde, tien tot vijftien mensen zo’n formulier krijgen. Hijzelf ook. ’t Hooft krijgt er ook een, om natuurkundigen te nomineren. Wie ze voor dit jaar hadden genomineerd, willen ’t Hooft en Clevers niet zeggen. Dat is geheim.

De formulieren moeten voor februari terug zijn bij de comités. Die maken een longlist van tussen de 250 en 350 kandidaten. Daarna spreken de comitéleden met tientallen experts in hun discipline. Dat gebeurt in vertrouwelijkheid, zegt Clevers. Dit deel van de procedure is tijdrovend. „Het kost de comitéleden makkelijk een half jaar”, zegt Clevers. ’t Hooft vult aan: „Ik wordt wel eens gebeld, met vragen over collega’s van wie je het werk goed kent.”

De comités willen de kandidaten doorgronden. Zijn ze echt de eerste geweest met een doorbraak? Wat hebben ze verder gedaan? ’t Hooft: „Wetenschappers hebben geniale ingevingen, maar maken ook fouten. Dat proberen de comités in te schatten.”

Bovendien proberen de comités in deze fase al het lobbywerk door te prikken. „Ik weet dat dat vrij dikwijls gebeurt”, zegt ’t Hooft. „De commissie weigert daarom bijvoorbeeld om de aantallen nominaties die iemand krijgt zwaar mee te wegen.”

Dat er gelobbyd wordt, maakt ook het Nobel-archief duidelijk. Van niet-recente winnaars zijn de nominatiepatronen in te zien. Zo kreeg Willem Einthoven in 1924 de Nobelprijs voor de Geneeskunde. Twee jaar eerder was hij door 16 mensen genomineerd, waarvan 14 Nederlanders.

Na deze fase maken de comités een rapport met aanbevelingen over de ‘final candidates’. Hoeveel dat er zijn, is niet duidelijk. De kandidaten voor de natuurkunde- en chemieprijs worden binnen de Zweedse Academie van Wetenschappen besproken, door de betreffende secties. Na twee bijeenkomsten worden de winnaars bij meerderheid gekozen. Over de geneeskundeprijs beslist een selectie van vijftig medische hoogleraren aan het Zweedse Karolinska Instituut.

In de lijsten van laureaten valt op dat de laatste decennia veel Amerikanen winnen. Waarom? „Omdat ze zoveel geld in onderzoek stoppen”, zegt Clevers. Maar ook, vult hij aan, omdat ze in de VS veel bedrevener zijn in het aanhoudend aanprijzen van hun toppers, jarenlang achter elkaar en via een goed en hapklaar verhaal. „Wij in Europa zijn daar veel knulliger in.”

De laatste jaren zijn er veel andere prijzen bijgekomen. Sommige zijn qua geldbedrag veel groter dan de Nobelprijs, zoals de Breakthrough Prize, van 3 miljoen dollar. Toch kunnen die niet tippen aan de Nobelprijs, zeggen Clevers en ’t Hooft. Clevers: „Dat blijft de oudste en mooiste.” ’t Hooft: „Hij heeft een gouden rand.”