Column

Welvaart is gebouwd op immigranten

Naast al die affaires die de gemoederen bezighouden, en die je eerder als affairettes kunt bestempelen (Rembrandts, treinen), is de opvang van vluchtelingen al weer bijna van het scherm verdwenen. Graag sussen we ons in slaap met de zelfgenoegzame constatering dat de sporthallen en dekens klaar staan en er nergens grote drama’s plaatsvinden. Maar uiteraard begint het nu pas echt. Een slaapplaats en een kom soep vormen geen leven. Een leven draait om een plaats in de samenleving, je welkom en zinvol voelen. Daar kunnen vrijwilligers, die gelukkig ook in Nederland zich in grote aantallen van hun beste kant hebben laten zien, maar beperkt aan bijdragen.

Een plaats in de samenleving betekent namelijk bijna altijd werk. Ervaringen uit het verleden, bijvoorbeeld met vluchtelingen uit Vietnam of Sri Lanka, wijzen op een eenduidig patroon. Wie zich succesvol integreerden, konden dat vooral doordat zij een opleiding en een baan vonden. Gebrek aan werk leidt tot een gevoel uitsluiting en ontheemding, schaamte en machteloosheid. Wie niet werkt, heeft niets om trots op te zijn, niemand buiten de eigen kring om mee te communiceren. Het leidt tot mannen die hun vrouwen en kinderen niet kunnen onderhouden, die hun zelfvertrouwen verliezen, vrouwen die de straat niet op durven, kinderen die op school gepest of genegeerd worden. Daarnaast is een snelle verhuizing van een opvangcentrum naar een echt woonhuis essentieel voor een gevoel van thuis, net als het leren van de Nederlandse taal en de school voor kinderen. Zonder taal geen integratie.

Een baan is een sine qua non. Dat vraagt om een persoonlijke aanpak. Vluchtelingen zijn geen groep, maar individuen met uiteenlopende karakteristieken in opleiding, achtergrond en ambities. Naar verwachting zijn de grote groep Syriërs relatief goed opgeleid. Voor hen zouden er vrij snel banen moeten kunnen zijn, met name in de medische sector, als ingenieurs en in de IT. Die goede opleiding geldt waarschijnlijk veel minder voor Afghanen en Somaliërs, maar ook voor laagopgeleide vluchtelingen zijn er banen. Het actief identificeren daarvan is de urgente opdracht voor de private en publieke sector. Ook daar gaat het om de details, want de behoeften en mogelijkheden tussen de zorg, bouw en de landbouw verschillen nogal. Wat mij betreft komt er zo snel mogelijk een nationaal integratie- en werkgelegenheidsplan. Daar kunnen trouwens wel wat van de door het kabinet beloofde meevallers naar toe. In Nederland is het gebrek aan arbeidskrachten nog niet nijpend. Volgens The Economist (19/9) heeft minder dan 15% van de bedrijven een probleem met het vullen van vacatures. Ironisch genoeg hebben juist de landen die het meest wantrouwend tegenover vluchtelingen staan, de grootste behoefte aan arbeidskrachten. In Hongarije en Polen neemt in de komende twintig jaar de bevolking met 5-10% af. Bijna 60% van de Hongaarse bedrijven heeft nu al moeite met het vinden van personeel, om maar te zwijgen over een toekomstig pensioengat. Overigens geldt voor Zweden en Duitsland ook nu al een tekort aan arbeidskrachten. Dit is geen argument voor immigratie op zich, maar een oproep tot succesvolle immigratie.

Natuurlijk zijn vluchtelingen niet een ‘plug in’-oplossing voor structurele economische en demografische knelpunten in vergrijzende samenlevingen. Velen zijn niet voldoende opgeleid en zullen lang nodig hebben om zich aan te passen. Mogelijk blijven ze altijd verlangen naar het land dat ze verlieten. Maar een baan helpt, net als opleiding voor hun kinderen. Onze Europese en nationale welvaart is en blijft ook in de toekomst gebouwd op immigranten. En zonder eerdere gastvrijheid waren velen van ons hier nooit geweest.