Vinden we onze privacy nu echt zo belangrijk?

Veel mensen zeggen privacy belangrijk te vinden. Maar we blijven vrolijk foto’s op Facebook zetten. Hoe kan dat?

Ging je gisteren de straat op, om actie te voeren tegen het delen van persoonsgegevens? Zegde je je Facebookaccount op?

Kleine kans.

Ja, misschien deelde je het nieuwsbericht over de uitspraak van het Europese Hof op Twitter of Facebook. Waarin staat dat data in de Verenigde Staten niet veilig zijn. Maar daarna boekte je toch ook die vakantie via Google, rekende je met je creditcard af in de App Store of kocht je een boek bij Amazon.

Maakt het dan allemaal geen verschil?

Jawel. Er is wel degelijk iets aan het veranderen als het om onze privacybeleving gaat, zegt Daphne van der Kroft van Bits of Freedom, de belangenorganisatie die opkomt voor internetvrijheid. Het veel gehoorde argument dat je ‘toch niets te verbergen hebt’ is passé. Sinds de onthullingen van Edward Snowden voelen veel mensen „ongemak” bij wat er kan gebeuren. „Je hoort steeds vaker dat ouders geen foto’s van hun kind online zetten, of dat er feestjes zijn waar men van tevoren afspreekt dat er geen foto’s van dronken taferelen gepost worden.”

Dat gevoel van ‘ongemak’ vind je terug in de onderzoeken. TNO ondervroeg begin dit jaar ruim duizend Nederlanders. Belangrijkste conclusie: ruim 82 procent hecht ‘veel belang aan privacy en de bescherming van persoonsgegevens’.

Toch blijven we ons voor steeds meer diensten aanmelden die leven van onze persoonsgegevens. Facebook blijft groeien en trok eind augustus voor het eerst 1 miljard gebruikers op één dag. WhatsApp, eigendom van Facebook, groeide sinds januari dit jaar van 700 naar 900 miljoen maandelijks actieve gebruikers. En Google is de standaardzoekmachine voor ongeveer 95 procent van de Nederlanders.

We hechten dus aan privacy, maar delen ondertussen steeds meer informatie over onszelf. Hoe kan dat?

Van der Kroft van Bits of Freedom stelt een wedervraag: tegen wie moet je in opstand komen? Het is niet helder tegen wie je je precies moet verzetten. „Het ene moment is dat de Nederlandse overheid, dan weer inlichtingendiensten, dan weer Facebook.”

Bovendien is er, om die laatste als voorbeeld te nemen, geen gelijkwaardig, privacyvriendelijk alternatief. „Het is kiezen: óf Facebook, of een sociaal netwerk waar verder niemand op zit. En hoe meer data ze van je verzamelen, hoe meer ze personaliseren, hoe meer voorsprong ze hebben.”

Een dienst als Facebook is erop gebouwd om de gebruiker te verleiden zoveel mogelijk gegevens achter te laten. Dit verbetert de gebruikservaring: een sociaal netwerk wordt leuker naarmate je meer over jezelf laat zien. Op korte termijn heeft de gebruiker alleen zichzelf ermee als die minder deelt. Het effect op langere termijn – overheden en bedrijven die onze vrijheden inperken – is abstracter.

Die paradox blijkt ook uit het TNO-rapport. Terwijl het merendeel privacy belangrijk noemt, handelt bijna niemand daarnaar. Slechts 14 procent deelt nooit persoonlijke informatie online. Een groter deel (29 procent) gaat overstag als delen móét – omdat je anders bijvoorbeeld geen Facebook-account kunt aanmaken. TNO concludeert: meedoen wordt vaak verkozen boven privacy.

Overigens betekent delen op Facebook niet per se dat je niets om privacy geeft, zegt Beate Roessler, hoogleraar ethiek en sociale filosofie aan de UvA. Ze verwijst naar onderzoek van de Amerikaanse sociologe Danah Boyd, dat aantoonde dat jongeren een andere definitie van privacy hanteren dan hun ouders. Het gaat er minder om wie toegang tot de data bewaakt, maar vooral wie de controle over een sociale situatie heeft.

Roessler: „Tieners weten precies met wie ze wat delen. En ze ontwikkelen daar strategieën voor. Ze gebruiken bijvoorbeeld geheimtaal om ervoor te zorgen dat ze bepaalde informatie wel met de roeiclub kunnen delen, maar niet met hun ouders.”