Sovjetdesign is niet per se bruikbaar

Wat is het? Op Rode Welvaart, de tentoonstelling over Sovjetdesign in de Kunsthal in Rotterdam, staat een raadselachtig, zwaar ding van blauw metaal. Het bestaat uit een dikke schijf en een buis van een halve meter die aan weerszijden is uitgerust met een lier. Buis en schijf zijn gemonteerd op een plateau. Is het een koffiemolen? Nee, daarvoor is het ding te groot. Bovendien zijn er nergens openingen te bekennen waar koffie in en uit kan.

Blijkens het bordje bij het ding is het een ‘mini handkar’ uit 1970. En inderdaad: onder het plateau zitten drie wieltjes verborgen, waarvan er een vermoedelijk wordt aangedreven door de lieren. Onduidelijk blijft hoe de kar gebruikt moet worden. Moet een volwassene op de schijf staan en diep voorovergebogen aan de lieren draaien? Of is het bedoeld voor peuters die op de schijf kunnen zitten? Ook wordt niet duidelijk hoe je het ding moet besturen.

Zo is de geheimzinnige mini handkar een typisch product van de Sovjetplaneconomie. Niet zelden maakten Sovjetfabrieken consumentengoederen die onbruikbaar waren. Zo gaat het verhaal dat een verlichtingsarmaturenfabriek gigantische ijzeren kroonluchters produceerde om te voldoen aan het plan waarin de voorgeschreven productie was uitgedrukt in gewicht.

Toch kende het Sovjetdesign na de Oktoberrevolutie in 1917 een veelbelovend begin met het werk van ‘kunstenaar-ingenieurs’ als Tatlin, Lissitzky en Rodtsjenko. Hun constructivisme kreeg via het Bauhaus grote invloed op de functionalistische vormgeving van de 20ste eeuw. Maar na 1928 kreeg de zware industrie onder Stalin absolute voorrang in de centraal geleide planeconomie van de Sovjet-Unie en werd de productie van consumptiegoederen bijzaak.

Pas jaren na Stalins dood in 1953 kwam hierin verandering. Drie jaar na het legendarische ‘keukendebat’ tussen partijleider Chroesjtsjov en de Amerikaanse vice-president Nixon, waarin Chroesjtsjov voorspelde dat de Sovjethuizen binnenkort met nog veel meer huishoudelijke apparaten zouden zijn uitgerust dan de Amerikaanse, werd in 1962 het Centraal Wetenschappelijke Onderzoeksinstituut voor Technische Esthetiek (VNIITE) opgericht, ter bevordering van goed Sovjetdesign.

Rode Welvaart opent met een paukenslag van voor de oprichting van het instituut: een puntgaaf exemplaar van de Volga Gaz M21, een Sovjetauto uit de jaren vijftig waarvan de vormgeving was gebaseerd op die van Ford en andere westerse autofabrikanten. Maar de meeste producten, variërend van half hoge damesoverschoenen tot de pictogrammen van de Olympische Spelen in Moskou uit 1980, dateren van na de oprichting.

Opzienbarende resultaten heeft de wetenschappelijke benadering van design niet gehad, zo blijkt in de Kunsthal. Dat komt doordat Sovjetontwerpers toch altijd meer rekening moesten houden met de mogelijkheden van fabrieken dan met de wensen van de consumenten, leggen de makers van Rode Welvaart uit. Toch zitten er wel enkele verrassingen tussen de collectie topwerken, die voor het merendeel afkomstig zijn uit het Design Museum in Moskou. Zoals de gitaar van het Armeense merk Kroenk uit 1975 waar een zessnarige gitaar en een basgitaar zijn versmolten tot één geheel.

Sovjetdesign blijkt op zijn best als het ging om producten waarvan de technologie afkomstig was uit de ruimtevaart of de militaire industrie. Zo is het beroemdste Sovjetontwerp aller tijden de kalasjnikov, waarvan een rudimentaire speelgoedversie op de tentoonstelling ligt. Ook de Zenith-E, de fotocamera die eind jaren zestig werd ontworpen volgens het principe ‘wat er niet is, kan ook niet kapot’, is aanwezig. Van deze camera zijn er meer dan 8 miljoen geproduceerd.