En nu zijn de rechters woedend

Het zag er op papier zo soepel uit: de reorganisatie van de rechtspraak en bezuiniging op rechtbanken. Maar rechters voelen zich geschoffeerd, gemeenten zijn boos, en nu bemoeit ook de politiek zich ermee. Morgen houdt de Kamer een hoorzitting.

De ‘gewraakte foto’, van oktober 2012, waar alle nieuwe presidenten van de rechtbanken poseerden met minister Opstelten (Justitie, VVD). Hun benoeming was te centralistisch verlopen, luidde destijds de klacht. Foto Floren van Olden

Onbetrouwbaar, overvaltactiek, geschoffeerd: rechters, bestuurders en Kamerleden gebruiken harde woorden als ze spreken over de Raad voor de Rechtspraak en de gerechtsbesturen. Vooral het plan om zeven rechtbanken te reduceren tot nevenvestigingen – waaronder Maastricht, Alkmaar en Almelo – heeft tot fel verzet geleid. Volgens de Raad is de rechtspraak te ruim behuisd, en bezuinigt ze liever op gebouwen dan op mensen. Het „meerjarenplan” voor de reorganisatie kan inmiddels dienen als schoolvoorbeeld van hoe je níét wil dat de aankondiging van een reorganisatie verloopt.

Het was zo mooi gepland: een publicatie op 31 augustus, een consultatieperiode van een week, en het definitieve besluit op tijd voor Prinsjesdag en de Algemene Beschouwingen, zodat de reorganisatie ook politiek snel kon worden vastgelegd. Maar na felle protesten verlengde de Raad op het allerlaatste moment de consultatieperiode met nog drie weken, en midden in die drie weken ging de Tweede Kamer zich met de reorganisatie bemoeien. Met als gevolg in ieder geval uitstel tot het eind van het jaar, en een Raad die de controle kwijt is. Donderdag houdt de Kamer een hoorzitting over het meerjarenplan.

In de rug geschoten

Kennelijk had de Raad voor de Rechtspraak onderschat hoeveel weerstand het plan zou oproepen. Bij de gemeenten en provincies, die woedend waren omdat ze maar een week kregen om te reageren op de mededeling dat de volwaardige rechtbank uit hun stad of zelfs provincie zou verdwijnen. „U toont u onbetrouwbaar in de gemaakte afspraken”, schreef de commissaris van de koning van Flevoland de Raad bijvoorbeeld. Maar ook bij rechters, die zich doorgaans niet politiek uitlaten en in het openbaar behoedzaam opereren. Nu niet. In vijf steden gingen rechters in toga de straat op om te demonstreren. „Mensen hebben het idee dat ze in de rug geschoten zijn door hun eigen bestuurders”, zegt Jan Bartstra, rechter in Assen. Assen is de enige rechtbanklocatie in Drenthe, en zou in het meerjarenplan ook een nevenvestiging worden.

Om de oren

De ongekend felle tegenstand van de rechters ligt deels aan de manier waarop het besluit tot stand is gekomen, zeggen rechters uit Alkmaar, Assen en Almelo. Dat gebeurde in vertrouwelijk overleg tussen de Raad voor de Rechtspraak en de presidentenvergadering, het zogeheten PRO. En zonder daarbij lokale rechters, afdelings- en teamvoorzitters of ondernemingsraden te betrekken, zegt Willem Hangelbroek. Hij is rechter in Almelo, ook een locatie die wordt ‘afgebouwd’, en was eerder president van de rechtbank Leeuwarden. „De presidenten moesten geheimhouding toezeggen. Ze wisten dus dat het meerjarenplan een bom is.”

Daarnaast is er kritiek op de onderbouwing van de bezuiniging die het deels sluiten van de rechtbanken oplevert. Alleen voor Limburg is een meer gedetailleerde berekening gemaakt, zegt Ellen de Groot, kantonrechter in Enschede. „Als een werkgever met zo’n plan bij mij als rechter aan zou komen, zou hij zwaar om de oren krijgen: een orgaan dat niet bestaat [de combinatie van de Raad en het PRO] neemt een besluit dat juridisch geen status heeft, slecht onderbouwd is, en bij de voorbereiding waarvan de ondernemingsraad niet is betrokken.”

Bovendien denken veel rechters dat het de bedoeling is dat de nevenvestigingen op termijn helemaal zullen sluiten, waardoor de rechtbank voor veel burgers op nog grotere afstand komt. Volgens het plan verdwijnen alle werkplekken voor rechters daar, in ruil voor flexplekken op de hoofdvestigingen. En nu al worden veel zaken voor bijvoorbeeld Dordrecht en Assen gehouden in de hoofdvestigingen Rotterdam en Groningen. De Amsterdamse rechtbankpresident, Henk Naves, schetste onlangs in deze krant zelfs een toekomst met maar vier rechtbanken.

Deze rechters vinden ook dat rechtspraak fysiek binnen de gemeenschap moet plaatsvinden. Niet alleen vanwege de reistijd, zegt rechter Bartstra, hoewel dat een belangrijk punt is voor kwetsbare groepen. Maar ook omdat mensen moeten zien dat er recht gesproken wordt. „Rechters zijn de derde staatsmacht. Die moeten zichtbaar zijn in de samenleving. Het Binnenhof heeft ook een symbolische waarde. We zetten het Nederlandse parlement ook niet in een bijgebouw van het Europees Parlement in Brussel neer.”

Zetbazen

Er spelen ook meer fundamentele problemen – zoals de centrale rol van de Raad voor de Rechtspraak. Het is een misverstand dat de Raad dé vertegenwoordiging is van de rechters, zegt Hangelbroek. Dat zouden de gerechtsbesturen moeten zijn. En dat was ook zo, toen rechters invloed hadden op de benoeming van hun eigen rechtbankbestuurders. Maar sinds het ontstaan van de Raad in 2002 is dat veranderd. Berucht onder rechters is de foto uit 2012 van toenmalig minister Opstelten (Justitie, VVD), omringd door alle net benoemde presidenten van de rechtbanken en hoven. Voor het eerst werden in één keer alle presidenten tegelijk benoemd, en bepaalde de raad ook de benoemingen.

„Zetbazen van de Raad”, noemt Bartstra de bestuurders, en hij staat daarin niet alleen. De centrale benoeming en aansturing van bestuurders door de Raad, en de afstand die dat creëert tot de eigen rechters, was ook al onderwerp van kritiek in het ‘manifest van Leeuwarden’ uit 2012. Al snel hadden 700 van de ongeveer 2.500 rechters dit manifest getekend. Sindsdien is de procedure voor de benoeming van bestuurders veranderd, zegt de Raad. Lokale rechters hebben nu veel meer inspraak, en kunnen kandidaten weigeren.

Centrale aansturing was overigens wel de bedoeling toen de Raad in 2002 in het leven werd geroepen. Tot dan hadden alle rechtbanken afzonderlijke besturen, die zelf hun werkprocessen inrichtten, en hun eigen budgetten moesten regelen in Den Haag. Dat leidde tot inefficiëntie, hoge kosten en risico’s voor de kwaliteit.

Modern management

Communis opinio was dat de organisatie van de rechtspraak was achtergebleven en toe was aan moderner management. Een probleem is dat al te voortvarend management – inclusief afspraken over aantal en tempo van vonnissen – in de ogen van in ieder geval een deel van de rechters schuurt met hun wettelijke onafhankelijkheid.

Niet alleen een deel van de rechters vindt de rol van de Raad te groot. Ook de Eerste Kamer is ontstemd: niet de Raad, maar de politiek beslist waar in Nederland rechtbanken zijn, zegt Menno Knip, Eerste Kamerlid voor de VVD en oud-burgemeester van Almelo. Hij nam met zijn PvdA-collega Jannette Beuving het initiatief voor Kamervragen, die door alle partijen samen zijn ingediend. „Dat geeft weer dat de Kamer zich buitenspel gezet voelt”, zegt Knip.

‘Onzin’

De aanleiding is de herziening van de ‘gerechtelijke kaart’, de HGK, uit 2013. Over deze grote reorganisatie van de rechtspraak, waarbij het aantal arrondissementen van 19 naar 11 ging, is in beide Kamers uitgebreid gedebatteerd, juist over zittingslocaties en toegankelijkheid van rechtspraak. Knip: „Bij de HGK wilde de minister dat de aanwijzing van zittingsplaatsen voortaan bij Algemene Maatregel van Bestuur geregeld kon worden, niet meer bij wet. Dat wilden we niet, maar we zijn ermee akkoord gegaan op voorwaarde dat het parlement zich dan nog over die Algemene Maatregel van Bestuur kon uitspreken.”

De bevoegdheid om te bepalen welke zaken waar gedaan worden, ging naar de gerechtsbesturen. Maar de Tweede Kamer wilde wel dat op alle 32 rechtbanklocaties volwaardige zaakspakketten behandeld zouden blijven worden. Volgens de Raad doet het meerjarenplan niet anders. Bovendien hebben de presidenten ermee ingestemd. „Onzin”, zegt Knip. „Als je gaat praten over nevenvestigingen, of ‘kantongerechten plus’, dan heb je het over zittingsplaatsen.” Er is Kamerbreed afgesproken om in 2018 de reorganisatie te evalueren. „Ik denk dat daarbij ook het functioneren van de raad voor de rechtspraak moet worden geëvalueerd. Dit gaat niet goed.”