Column

De blinde aankoop

Is er een reden om aan te nemen dat Frankrijk de exportvergunning voor twee Rembrandtportretten zou intrekken? Of dat de Franse regering in één dag 160 miljoen euro op tafel kon leggen om alle twee de schilderijen te kopen? Of dat de schilderijen voorgoed dreigden te verdwijnen naar China of naar een oliestaat?

Allemaal scenario’s die minister Bussemaker de afgelopen weken zonder een spoor van bewijs te berde heeft gebracht. Gisteren erkende ze in de senaat dat de gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient. Desondanks gaf de Eerste Kamer de minister toestemming een van de twee schilderijen aan te kopen met 80 miljoen euro. Zonder enige notie te hebben van de feiten – als de minister die zelf al heeft – en zonder de private steun die eerder was beloofd.

„Wanneer een politicus met publiek geld een aankoop doorduwt onder het mom dat haast geboden is, dan weet ik mij voorgelogen”, schreef kunsthistoricus en handelaar in oude kunst Jan Six zaterdag in een opiniestuk in de Volkskrant.

Als ik hem bel, zegt hij: „De minister vergeet dat er een realiteit is. Ze lijkt in een droomwereld te leven.” Hij noemt het „bizar” dat de Eerste Kamer binnen een week na de Tweede Kamer bijna unaniem akkoord gaat.

Om haar verzoek kracht bij te zetten, vergeleek Bussemaker de Frans-Nederlandse deal met de aankoop van een bronzen beeld van Antonio Canova meer dan twintig jaar geleden in Ierland en Schotland. „Ze suggereerde dat het om een overeenkomst tussen twee landen ging, maar die was tussen twee musea met eigen geld”, zegt Six. „De politiek had zich er juist niet mee bemoeid. Bovendien kostte dat beeld een fractie van de prijs.”

Als overheid moet je kunstaankopen ondersteunen, vindt hij, niet zelf uitvoeren. „Neem specialisten in de arm, handelaren in oude meesters, die je kunnen helpen bij het beoordelen van de conditie, van de prijs, van de markt. Dat is nu niet gebeurd.”

Hoe weet hij dat? „De wereld van de oude meesters is klein, de handel is niet groot. Ik heb veel reacties gekregen op mijn opiniestuk dat ook in het Engels is vertaald. Niemand die ik uit die wereld ken, is geconsulteerd.”

Zo weet Jan Six ook dat de portretten behalve door de directeur collecties niet door een expert zijn bekeken. „Waarom zijn ze niet uit Parijs naar het Rijksmuseum gehaald? Daar hebben ze uitstekend instrumentarium. Straks moeten ze toch ook in een reizend circus door het hele land? Ga altijd even kijken. Voer een gesprek met de verkoper. De Rothschilds hebben de Rembrandts 138 jaar in bezit. Die hóúden van die schilderijen. Zo kun je ook beoordelen of de vraagprijs reëel is.” (Eric de Rothschild gebeld, maar die geeft, zo zegt zijn woordvoerster, „pas d’explication„ op de onderhandeling.)

D66-leider Pechtold zegt in elk interview: als die portretten maar niet naar China gaan of naar Qatar. Bussemaker zegt het hem na. „Een naïeve voorstelling van de kunstmarkt”, zegt Six. „Mijn ervaring is dat Arabische en Aziatische verzamelaars met veel respect hun geld aan kunst uitgeven. Ze zijn de Medici’s van de 21ste eeuw. En kijk wat ze kopen: moderne kunst, antieke Chinese, Arabische en islamitische kunst. Geen oude meesters.”