Willy

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

We zijn helemaal klaar voor het bezoek van Willy. Alle rommel opgeruimd. De drie katten en de hond in de tuin. Behoorlijk zenuwachtig lopen we steeds naar de deur om te kijken of hij er al aan komt. Zoals het hoog bezoek betaamt, is onze gast laat. Dan rijdt zijn auto voor. Eerst stappen twee mannen en een vrouw uit om te controleren of ons huis wel goed is voorbereid. Dan is het zover. De autodeur wordt opengemaakt en Willy springt enthousiast naar buiten.

Willy is een bruin-witgevlekte jackrussellterriër. Van beroep is hij speurder, en wel van bedwantsen. Zoals een sint-bernardshond slachtoffers onder de sneeuw vindt, zo ruikt hij de minuscule parasieten die een ware epidemie kunnen veroorzaken.

Sinds een paar dagen zijn we volledig in de ban van de bedwants. Het begon allemaal onschuldig. Twee weken geleden kregen we een achtjarig jongetje op bezoek, dat zich zoetjes bij ons op de bank nestelde met een boek. Maar eergisteren meldde zijn vader dat hun huis onder de wantsen zat. We moesten het onze beslist ook laten controleren.

Een kort bezoek aan de relevante websites leerde dat we met een plaag van bijbelse proporties te maken hadden. Het idee dat er kriebelende insecten aanwezig waren, bleek zich even snel te verspreiden als de beestjes zelf, zeker hier in het land van de smetvrees. Al gauw liep iedereen in onze kennissenkring mee te krabben, inclusief onze eigen hond. Als luizenmoeder met twaalf jaar ervaring op een basisschool in de Amsterdamse binnenstad dacht ik alles al te hebben meegemaakt, maar het kan blijkbaar nog erger.

Gelukkig is er Willy.

„Tsk, tsk”, zegt de lange man, terwijl Willy met gespitste oortjes door ons huis banjert. Aandachtig besnuffelt hij alle kussens, knuffels en bedden. Alles is goed, tot hij bij de bank komt waarop het jongetje had gezeten. Willy spitst zijn neus en gaat dan kwispelend zitten. Er valt een doodse stilte.

You have an issue”, fluistert de vrouw met de intonatie waarmee in rampenfilms de president wordt verteld dat de wereld dreigt te vergaan. In de hiërarchie staat ze boven de twee andere mannen, maar duidelijk onder Willy.

Onmiddellijk sluit de vrouw de deur af met gele plastic linten alsof er in de kamer een moord is gepleegd. Een doek wordt onder de deur gelegd zodat de wantsen niet alsnog de weg naar ons bed kunnen vinden.

We hebben geluk gehad, vertelt de vrouw. Het valt enorm mee. Regelmatig komt het voor dat bewoners hun huis moeten verlaten. Scholen, bibliotheken en appartementencomplexen worden soms gesloten vanwege deze beestjes.

Willy is gelukkig te goeder trouw. Hij heeft alle papieren van een gecertificeerde speurhond. Maar, zegt ze, er is een heel circuit van malafide bedrijven – zeg maar, de Jacobse en Van Es van de bedwantsen – die zonder scrupules de hond laten aanslaan in een brandschoon huis.

Waf, waf, en daar gaan de argeloze huiseigenaars het schip in. Oh, oh, het hele huis onder de bavianenschurft – excuus, de onzichtbare bedwantsen. Waarop een behandeling van tienduizenden dollars volgt, met het equivalent van neutronenkorrels. Ja, het kost wat, maar dan is uw huis wel helemaal winterklaar.

Willy verlaat kwispelend ons huis. Op weg naar een volgend bezoek. De bedwants roept.