Meer geld is nog geen beter leven

Wereldwijd leven er minder mensen in extreme armoede. Maar de cijfers zeggen alleen iets over de koopkracht van de bevolking. Hoe zit het met hun toegang tot onderwijs en primaire behoeften?

Inwoners van Bujumbura, de hoofdstad van Burundi. Dit Afrikaanse land zit bij de groep van de armste 32 landen. Foto Spencer Platt/ Getty Images

Het aantal mensen dat wereldwijd in extreme armoede leeft, eindigt dit jaar naar verwachting onder de 10 procent van de wereldbevolking. Dat zou voor het eerst zijn.

Dat blijkt uit een voorspelling die de Wereldbank zondag publiceerde. Naar verwachting leven 702 miljoen mensen (9,6 procent van de wereldbevolking) dit jaar in armoede; bij de laatste meting in 2012 waren dat er nog 902 miljoen (12,8 procent).

De daling vindt zelfs plaats met de verruimde definitie van armoede die de Wereldbank hanteert. Waar de armoedegrens voorheen werd vastgesteld op een koopkracht van 1,25 dollar per dag, worden mensen nu als extreem arm aangemerkt als zij van minder dan 1,90 dollar per dag (1,70 euro) moeten leven. Ook heeft de Wereldbank nieuwe informatie over de levensomstandigheden op landelijk niveau meegenomen.

De meting is een van de belangrijkste indexen voor ontwikkeling. Het ‘reduceren van extreme armoede tot niet meer dan 3 procent’ in 2030 is een van de doelen die de Wereldbank in 2013 stelde. Het eerste van de zeventien Duurzame Ontwikkelingsdoelen die tien dagen geleden door de Verenigde Naties zijn omarmd, is zelfs ‘het uitroeien van armoede in al zijn vormen’. Het aantal extreem armen dat een land volgens de index binnen zijn grenzen heeft, heeft dus gevolgen voor de VN- en Wereldbankgelden en -hulpprogramma’s die het ontvangt.

Volgens Wereldbank-president Jim Yong Kim is het afnemende aantal mensen onder de armoedegrens een gevolg van de sterke economische groei in veel ontwikkelingslanden. Daarnaast wordt meer geïnvesteerd in onderwijs, gezondheidszorg en sociale vangnetten, waardoor inwoners van deze landen minder snel terugvallen in extreme armoede.

Het zegt niets over het onderwijs

Toch moeten de cijfers van de Wereldbank in hun context worden bezien. Zo zegt de waarde waarmee gerekend wordt, de koopkrachtpariteit, alleen iets over de koopkracht van een bevolking. Over toegang tot onderwijs, de leefomstandigheden in sloppenwijken of de beschikbaarheid van primaire behoeften als voedsel en water zegt dit getal weinig tot niets.

Daarbij worden het Midden-Oosten en Noord-Afrika nauwelijks meegerekend in de statistieken, volgens de Wereldbank wegens de slechte beschikbaarheid van data door de onrust in het gebied. Ook gebruikt de Wereldbank voor het vaststellen van de nieuwe armoedegrens van 1,90 dollar het prijsniveau van 2011. Inmiddels is er in de wereldeconomie veel veranderd, waardoor de cijfers vertekend kunnen zijn.

Eerst was de grens 1 dollar per dag

De mondiale armoedegrens werd in 1990 voor het eerst bepaald, toen op 1 dollar per dag. Als basis werden nationale armoedegrenzen gebruikt. Toen de grens in 2005 werd verhoogd naar 1,25 dollar, gebruikte de Wereldbank een andere, nauwkeuriger methode: het gemiddelde van de koopkrachtpariteit van de vijftien armste landen ter wereld. Dezelfde methode, bijgesteld voor prijsniveaus, is nu gehanteerd, omdat de Wereldbank naar eigen zeggen „de doelpalen niet wil verzetten”.

Over de meetmethode is binnen de Wereldbank veel discussie, zo blijkt uit diverse working papers. Een van de kritiekpunten is dat de selectie van de vijftien landen met de laagste inkomens wordt gemaakt op basis van nationale economische gegevens. Door hun harde groei zijn landen als India en China dus al lang uit deze groep verdwenen. Maar de geringe koopkracht van hun honderden miljoenen extreem armen telt dan niet meer mee bij het bepalen van de mondiale armoedegrens.

Ook wijzen onderzoekers van de bank erop hoe dicht de concentratie mensen pal onder en pal boven de grens is. Als de lat bijvoorbeeld twee cent hoger was gelegd, bij 1,92 dollar, was het aantal mensen in extreme armoede juist met 148 miljoen mensen gestegen, schrijft journalist Shawn Donnan van de Financial Times in een blog. Een door de bank ingestelde commissie komt volgend jaar met voorstellen om de huidige meetmethode te verbeteren.

In een verklaring liet Wereldbankchef Jim Yong Kim weten dat het doel om extreme armoede uit te bannen, in zicht is: „Deze voorspellingen laten zien dat wij tot de eerste generatie behoren die het einde van extreme armoede kan meemaken. Deze nieuwe voorspelling kan een impuls zijn en kan ons helpen ons te concentreren op het vinden van de effectiefste manier om extreme armoede uit de wereld te helpen.”

Volgens Kim zal het uitroeien van armoede nog een opgave worden in tijden van afzwakkende economische groei, jeugdwerkloosheid, kwetsbare financiële markten en de gevolgen van klimaatsverandering. Toch zegt hij te geloven dat het mogelijk is.