Column

Frans Pointl

De vorige week overleden Frans Pointl was de schrijver van een klein en beperkt, maar boeiend oeuvre. Zijn autobiografische prozadebuut uit 1989, de verhalenbundel De kip die over de soep vloog, zou zijn belangrijkste boek blijven en is goed genoeg om tot een bescheiden klassieker uit te groeien.

Ik ben nog in het bezit van de Zwitserse editie uit 1992 ervan: Das Huhn das über die Suppe flog met op de achterflap de aanbeveling: „….erzählt met wunderbar einfachen Sätzen die Lebensgeschichte eines holländischen Juden, der als Kind die Nazizeit überlebt.” Wat een wrange triomf moet het voor Pointl zijn geweest dat zijn boek ook in de Duitse taal verscheen, de taal van de bezetter die zijn Joodse familie grotendeels verwoestte.

Ik interviewde Pointl in 1989 voor NRC Handelsblad. Hij was nog onbekend, zijn boek was al een half jaar uit, maar er waren amper duizend exemplaren van verkocht. Uitgever Vic van de Reijt (Nijgh & Van Ditmar) tipte me en ik bezocht Pointl in zijn etagewoning in een sombere straat in Amsterdam-Oost. Hij stond me op de stoep op te wachten. „De bel doet het niet altijd”, zei hij. „Normaal is dat niet erg, want er komt hier toch nooit iemand.”

Een zonderlinger mens heb ik daarna nooit meer geïnterviewd. Volstrekt zichzelf en van de wereld afgekeerd. Met laconieke openhartigheid praatte hij over zijn idyllische jeugd in een gegoede buurt van Heemstede en de radicale breuk daarmee, toen eerst zijn ouders scheidden en vervolgens de oorlog uitbrak. Zijn moeder, een pianolerares, en hij moesten gescheiden onderduiken en kwamen na de oorlog weer samen om in armoede hun gebroken bestaan te lijmen.

„Haar negatieve kijk op het leven heeft me zwaar beïnvloed”, vertelde hij me, „het was een soort indoctrinatie. Ze was een dominante vrouw, erg intelligent – ik kon niet tegen haar op. Ik schrijf ergens dat ik me bij haar geborgen én gevangen voelde. Dat gevoel is altijd gebleven. Het was een gevangenschap, afgewisseld met korte perioden van geborgenheid.” Tot haar dood in 1958 bleef hij voor haar zorgen.

Hij beschrijft in het verhaal De overlevenden een bezoek met zijn moeder aan een politie-inspecteur, Gortjens, die in de oorlog sieraden van hun Joodse familieleden in bewaring had gekregen. De politieman en zijn vrouw wisten het zich niet meer te herinneren. „‘Denkt u soms dat mijn man liegt?’, vroeg mevrouw Gortjens strijdlustig. [….] ‘U moest eens weten wat ik denk’, zei moeder en ze stond op.”

Het gegeven doet denken aan het even schrijnende verhaal Het adres van Marga Minco, waarin een vrouw ook tevergeefs op bezoek gaat bij mensen die in de oorlog kostbare spullen van haar moeder zouden bewaren. En opeens realiseer ik me dat Pointl en Minco verwante auteurs zijn, niet alleen qua thematiek, maar ook stilistisch: altijd sober, ingehouden en daarom doeltreffend.

Het valt me misschien nu pas op, omdat ik onlangs Minco herlas in Na de sterren, de nieuwe dundruk bij Van Oorschot. Haar werk blijft goed leesbaar, en dat zou je ook mogen verwachten bij Pointl.

Zoals de meeste schrijvers had Pointl een uitstekend geheugen. Een jaar of vijftien na onze ontmoeting liep ik argeloos langs een Amsterdams bejaardenhuis, toen ik een oude man vanaf de stoep mijn naam hoorde roepen. „Ik had u al vanuit de verte herkend”, zei hij. Pas toen herkende ik hem ook, maar dat hield ik maar voor me.