Interview

Opvoeden met warmte en structuur

Gedrag van agressieve jonge kinderen verander je het beste via de ouders.

Bram de Orobio de Castro: „Oudertraining is geen wondermiddel, maar het is in ieder geval kosteneffectief”. Foto Ilvy Njiokiktjien

Utrecht. „Ja, je krijgt een parel, inderdaad, in een oester.” In een café naast een bouwput in Utrecht laat Bram Orobio de Castro, hoogleraar ontwikkelingspsychologie, een foto zien van de prijs die zijn team eind september kreeg: een ‘parel’ van ZonMW, een organisatie die onderzoek naar zorg financiert. „Hij is een beetje zwaar, anders had ik hem meegenomen om te laten zien. Het is wel iets in onze wereld wat je graag wilt hebben.”

Zijn team kreeg de prijs voor hun onderzoek aan ‘Incredible Years’ – in het Nederlands ‘Pittige Jaren’ – een trainingsprogramma waarbij ouders in 14 wekelijkse sessies geholpen worden met de opvoeding. Ze leren vooral goed gedrag van hun kind te belonen, grenzen te stellen en slecht gedrag liefst te negeren. Daarna blijken de kinderen (van peuterleeftijd tot vlak voor de puberteit) beter te luisteren en zich minder agressief of anderszins moeilijk te gedragen. Ongeveer 1 op de 20 jonge kinderen heeft problemen door agressief gedrag; zonder hulp kan tot een kwart daarvan gedragsproblemen blijven houden. „Maar als je in een slechte buurt gaat kijken”, zegt Orobio de Castro, „ is het heel veel meer.”

De Utrechtse kinderpsychiater Walter Matthys, inmiddels met emeritaat, haalde Incredible Years in de jaren 90 uit de VS naar Nederland. Er zijn nu zo’n 80 gecertificeerde trainers in Nederland. Ankie Menting promoveerde in 2012 bij Matthys en Orobio de Castro; haar onderzoek liet zien dat Pittige Jaren het gedrag verbeterde van kinderen van wie de moeders net uit de gevangenis kwamen. „Je weet”, zegt Orobio de Castro, „dat een derde van die kinderen in contact komt met justitie als je niets doet.” En in 2014 promoveerde Patty Leijten op onderzoek waaruit bleek dat de oudertraining ook gezinnen met een lage sociaal-economische status helpt, waaronder Marokkaans-Nederlandse en Turks-Nederlandse gezinnen.

Moeilijk te bereiken groepen, zegt Orobio de Castro trots. „Vroeger, als je keek welke kinderen er een GGZ-indicatie kregen voor agressief gedrag, via de huisarts, dan zag je alleen autochtone middenklassegezinnen met hoger opgeleide ouders. Terwijl je wéét dat er een grote groep is die je dan niet bereikt – dat zijn de ouders er niet van gediend zijn als iemand zegt dat er iets mis is met hun kind, die misschien bang zijn dat hun kind dan al half uit huis geplaatst is, of die denken: ik wil mijn kind niet opvoeden zoals zo’n vrouw in een mantelpakje komt vertellen.”

Maar eerst even: waarom train je eigenlijk de ouders en niet de lastige kinderen zelf?

„Bij kinderen tot een jaar of twaalf werkt een training die op de ouders gericht is veel beter; daar zijn mooie meta-analyses over. Je hebt de ouders dus gewoon nodig. Wij keken of we iets met Incredible Years konden als we alles vergaten wat met ‘diagnosebehandelcombinaties’ te maken heeft. We zijn naar basisscholen in de Utrechtse wijken Kanaleneiland en Overvecht gegaan om tijdens het koffieuurtje met ouders te kletsen over opvoeden. En dan vroegen we wie er behoefte had aan méér. Dat liep heel hard en tot onze verbazing bleven de ouders komen, 14 weken lang. Ook mensen die zeiden: we komen één keertje. Veel moeders hebben slechte ervaringen gehad, zijn als kind bijvoorbeeld zelf geslagen, en hebben niet zo’n idee hoe het anders kan. En om dan gewoon je zorgen te kunnen delen zonder iemand erbij die zegt: dit moet je wel en niet doen...”

In de beschrijving van de training wordt benadrukt dat de trainer zich niet als expert opstelt.

„Ja, maar dat is-ie eigenlijk toch. Er worden bijvoorbeeld rollenspelen gespeeld en gepraat over wat je moet doen als je je kind thuis lastig vindt. Als iemand dan zegt ‘geef hem een knal voor zijn kop’, dan zegt de leider niet ‘dat is geen goed idee’, maar ‘wat zou er dan gebeuren?’ En als de hele groep het een goed idee vindt, zeg je bijvoorbeeld: houd dan thuis maar eens bij wat er gebeurt. Dan moet je als begeleider zeker genoeg van jezelf zijn om te weten dat het thuis beter gaat bij mensen die niet slaan dan bij mensen die dat wel doen.”

Bestaat er eigenlijk objectief goed en slecht opvoeden?

„Er is in elk geval een grens aan wat we in de Nederlandse maatschappij acceptabel vinden. Kinderen slaan is dat niet, bijvoorbeeld. En verder is er veel onderzoek waaruit blijkt dat als je kinderen wilt die redelijk zelfstandig zijn, goed luisteren en gelukkig zijn, dat je dan moet opvoeden met warmte en structuur.” Dus: aandacht hebben voor wat het kind wil, maar ook duidelijke regels stellen. „Als je een kind wilt dat vooral stil in een hoekje zit, moet je dat dus niet doen. En dan denk je misschien dat ouders uit andere culturen daar anders over denken, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ouders in migrantengezinnen willen ook dat hun kind het in Nederland goed doet.”

We hebben het steeds over ouders. Slaat het onderzoek op vaders én moeders?

Hij lacht. „Interessant punt, ja. We hebben een meta-analyse van internationaal onderzoek naar Incredible Years en in de helft van de studies stond ‘ouders’. Maar dat was politiek correct, want als we dan gingen nabellen waren het alleen moeders. In ons eigen onderzoek hadden we wel wat ouders die samen kwamen, maar meestal waren het moeders alleen.”

Hoe lang worden de getrainde gezinnen gevolgd?

„De gedetineerde moeders gaan we tien jaar volgen, dat onderzoek loopt nog. In de andere onderzoeken gebruiken we een wachtlijstcontrolegroep, dus die ouders hebben de training inmiddels ook allemaal gehad. Het is ook niet zo ethisch om niets te doen, als je problemen verwacht. In Londen hebben ze dat wel gedaan trouwens, daar zien ze nu na 25 jaar nog steeds verschillen. Kinderen van wie de ouders de training hebben gevolgd maken vaker hun school af, vinden vaker een baan, gebruiken minder drugs, maken minder gebruik van de zorg, betalen meer belasting...

„Ik vertel er nu misschien over alsof het een wondermiddel is. Dat is het natuurlijk ook niet, maar het is in elk geval kosteneffectief. In Amerikaans onderzoek waren de baten zelfs zeven keer zo groot als de kosten – vooral omdat het zó duur is als het met een kind misgaat. Dat kost de maatschappij per kind 50.000 tot 200.000 euro. In Utrecht hadden we na twee jaar alle kosten eruit doordat het beter met de kinderen ging.”