Ontheemd, gehavend, maar niet verloren

Kijkend naar de vluchtelingenstroom denkt Manon Uphoff aan de tijd dat zij en de vluchtelingen aan wie ze lesgaf, snakten naar een beter bestaan. En ze denkt aan Pnin van Nabokov, die liet zien hoezeer mensen tot veranderen in staat zijn.

Illustratie Jenna Arts

In de oude straten van de stad waar ik woon zie ik weer vaker herkenbare groepjes vluchtelingen, dicht bij het opvanghuis waar mijn man ooit, ten tijde van de Balkan-oorlog een tijdje woonde. Met de stromen nieuwe ontheemden, mensen op wrakke bootjes, mensen voor hekken, mensen in vrachtwagens, mensen die in drommen – uitgeput – op weg gaan naar het beloofde land, het sidderende en bevende fort Europa (wat komen ze brengen, wat komen ze halen?) denk ik vaak terug aan de jaren negentig, toen er ook sprake was van een grote immigrantenstroom en ik lesgaf op een taleninstituut.

Ik was een jonge alleenstaande moeder en woonde in een torenflat, een gedrocht, een monster van een gebouw. Na het vertrek van mijn (toenmalige) vriend had ik de wanden opnieuw gewit, planten gekocht en een kleurig kleed met kwastjes over de bank gedrapeerd, de kamers tot kleine cocons gemaakt. („Ah, U woont in het H-gebouw, daar wonen veel van mijn cliënten”, zei een maatschappelijk werker ooit). Ik gaf Nederlandse les als docente tweede taal op het ROC in Utrecht. Als de vakantie zich aandiende, werd ik ontslagen, om daarna weer aangenomen te worden als het lesjaar begon, altijd met een gereduceerd aantal uren die dan langzaam aangroeiden. In mijn postvak in de centrale hal beneden stapelden de rekeningen zich op, soms werd de telefoon afgesloten. De deurwaarder klopte op de deur, ik nodigde hem binnen en gaf hem koffie met een gevulde koek. „Er staat hier niet zoveel”, zei hij, kauwend. „Ik zou niet weten wat ik mee zou moeten nemen.”

De oorlog in Joegoslavië was uitgebroken, mensen vertrokken uit het Oostblok, Somalië, Ivoorkust, Rwanda, overal waar brandhaarden waren. Het was dé grote immigratiegolf. Plotseling zag het taleninstituut zich geconfronteerd met hoogopgeleide anderstaligen die in een zo kort mogelijk tijdsbestek de Nederlandse taal moesten leren. Het gevaar doemde meteen op. Dat van een taal waarin alleen voor het meest praktische ruimte bleef (een soort Ingsoc): het leren kopen van een brood, het kunnen invullen van een formulier. Een utilitair, uitgebeend Nederlands waarin het de nieuwe gebruikers nooit meer zou lukken om zich ook qua gedachten, opvattingen, wensen, dromen, herinneringen, verlangens en gevoelens uit te drukken.

Tijdens de lessen was ik getuige van een worsteling die vaker wel dan niet eindigde in een roemloze nederlaag. Verdoofd staarden volwassen mensen die huis en haard, leven en liefdes, hadden achtergelaten naar de inkttekeningetjes in het werkboek, dat was opgebouwd rond de grotere en kleinere voorvallen uit het dagelijks bestaan van ‘de dikke man’. Een personage dat vermoedelijk gemodelleerd was naar een Amerikaanse inwoner uit suburbia. Toch al zwaarlijvig nuttigde hij dagelijks eindeloze hoeveelheden spaghetti (waarbij hij werd gadegeslagen door een magere ober en een kleine groep gasten); ook ging hij steeds op pad om in supermarkten zo groot als een vliegtuighangar de ingrediënten voor deze maaltijden aan te schaffen. Opmerkelijk, aangezien hij altijd in het restaurant at. Daarbij stelde hij obligate vragen – waar liggen de tomaten, waar kan ik afrekenen? Is deze prei wel vers?

Verdwaald en verweesd zaten ‘mijn studenten’ op hun te lage stoeltjes in de kale klaslokalen met schuiframen die niet open konden, ze leken ingeblikt.

Gevangenen waren we, die elkaar probeerden te bevrijden.

Ik was toen een banneling in mijn torenflat in Nieuwegein – voortdurend daar waar ik niet wilde zijn, net als mijn leerlingen, die klaagden over de regen, de kou, de wind, het gebrek aan bergen, het gebrek aan warmte. Mijn dochtertje werd groter. Mijn schulden groeiden. In mijn meterkast lag een zak aardappelen die ik net zo lang had laten liggen tot de uitlopers bleek en pierig over de witte stoppen groeiden. Toen durfde ik die kast niet meer te openen.

Soms gidste ik het troepje aan mij toevertrouwden over de donkere grachten, langs de scheefstaande huizen, wees ze een voor een op belangrijke markeringspunten, waarna we eindigden in de kroeg voor een praktijkles. Daar raakten we in gesprek, sprekend met handen en voeten. Velen woonden in ROA-huizen, opvangpanden voor vluchtelingen, doorstroomplekken.

Ik wilde ook doorstromen.

Een keer werd ik aangevallen door een man, aan wie ik het Certificaat Nederlands niveau 1 niet kon geven. „GEEF mij mijn Niveau 1”, zei hij, en draaide mijn arm om. De volgende dag kwam hij op het instituut met een geweer. „Je begrijpt het niet, ik moet mijn niveau 1 hebben.” De studenten, vaak afkomstig uit uiteengerukte families, achtervolgd door vreselijke herinneringen en gebeurtenissen, met hun volwassen en gehavende levens, leken op mijnwerkers die diepe gangen groeven.

Ik heb vaak aan Nabokovs personage Pnin gedacht terwijl ik lesgaf, zoals ik dat nu ook doe. Want ik heb veel Pnins leren kennen in die periode. Nabokov, de Rus, vluchteling, immigrant, Amerikaan en grote schrijver, de man die met Pnin een van de mooiste en lichtste boeken schreef over ontheemding.

„I haf’ nofing” zegt Pnin, wiens leven een aaneenschakeling van missers en uitglijders is, verbonden met zijn nét niet volledige beheersing van de taal, en het feit dat hij, een vreemdeling, door het verhaal heen constant wordt bekeken en geridiculiseerd (ik verdenk Nabokov ervan dat hij aanvankelijk de spot met hem wilde drijven, maar het – eenmaal schrijvend – niet meer over zijn hart kon verkrijgen). Want Pnin is waardig. Hij bezit een bijzondere eigenschap, die niet genoeg op waarde geschat kan worden.

Loyaal en liefdevol naar het waardevolle eigene en oude, weet en durft hij zich te verbinden met het nieuwe. Nergens wordt dat prachtiger duidelijk dan in een sleutelpassage over zijn tanden. Pnin heeft een buitengewoon slecht gebit. Er is niets meer aan te doen, al zijn tanden en kiezen moeten worden getrokken. Ach, en hij is zo gehecht aan deze ruïne in zijn mond. Zijn tong, ‘een dikke vette zeehond’, houdt ervan om langs de gaten en kraters in zijn kiezen en tanden te glijden als een zeedier langs onregelmatige koraalstructuren. Maar het onvermijdelijke gebeurt, het gebit is wrak, kapot, niet te repareren, hij moet aan een kunstgebit.

Hoeveel verdriet Pnin ook heeft over het verlies van zijn oude, geruïneerde tanden, het duurt niet lang voor hij de vreugdes en mogelijkheden van de nieuwe constructie ziet. Na de pijn van de grote wond, na de periode van wennen („toen de platen er eenmaal ingedreven waren, was het alsof een arme fossiele schedel tussen de grijnzende kaken van een volmaakt vreemde was geplaatst”), neemt hij te pas en te onpas zijn valse tanden uit (een openbaring, een zonsopgang), laat hij aan argeloze omstanders vol enthousiasme zijn kunstgebit zien en drukt ze op het hart ook en wel per direct valse tanden te nemen. „Je zult een hervormd mens zijn, net als ik.”

Weken en maanden kijk ik naar en ben ik, met vele anderen, getuige van de stroom vluchtelingen die richting het beloofde land, Europa, spoelt, zoals ik ook ik getuige ben van de stroom opinies, angsten, vrezen en vragen die passeren op de sociale media. Met ongemak, het roept de jaren negentig terug. Ik heb geen begin van een antwoord behalve dit: Pnin herlezen laat me zien wat het meest is aangevreten en aangevallen in die periode. Het geloof dat als we vreselijker mensen kunnen worden dan we waren, we evenzeer beschikken over het vermogen tot (humane) verandering.

Als schrijver en als mens heb ik wel een ideaal. Het is klein, maar toch. Ik wil me kunnen blijven hervormen. Kunnen doen wat Pnin kan.