De pijn van een bondscoach die nauwelijks woorden nodig had

Na negentien jaar nam judobondscoach afscheid, in belang van haar judoka’s.

Scheidend bondscoach Marjolein van Unen (rechts) is zojuist benoemd tot lid van verdienste van de judobond. Links bondbestuurder Deborah Gravenstijn, tevens haar oud-pupil. Foto Merlin Daleman

Je bent moe, meer dan dat, kapot. Van de energie die zo’n even ontroerende als beladen dag van afscheid kost. Van de korte of langere gesprekken met al die vrienden uit de judowereld, van de speeches van je dierbaren en van de beelden die je daarnet van jezelf zag op het grote scherm in de turnhal waar je tot lid van verdienste van de judobond bent benoemd. En waar je oud-pupil en nu bondsbestuurder Deborah Gravenstijn je lieflijk toesprak en je knuffelde toen je brak – een keer de rollen omgedraaid.

Bij het zien van beelden uit vervlogen tijden kreeg je het te kwaad. Je voelt datzelfde vuur nog wel in je branden, maar je lijf werkt niet meer mee. Na negentien jaar bondscoachschap is het op en je weet dat stoppen de beste beslissing is. Maar die beslissing heb je zo lang als het kon voor je uitgeschoven, totdat je zag dat je judoka’s zich met een coach op halve kracht niet optimaal kunnen voorbereiden op de Olympische Spelen van volgend jaar, in Rio de Janeiro. Je bent in de eerste plaats gestopt voor hen, niet voor jezelf.

En dat terwijl je al decennia pijn in je nek hebt. Pas sinds vorig jaar weet je hoe het komt. Aan de linkerkant van je schedel zit een breuk en de pijn straalt uit naar je linkerarm, rug en verder naar beneden. Er is zoveel artrose ontstaan, dat opereren geen zin heeft. Het is vier jaar geleden dat je voor het laatst een judo-oefening voor kon doen. Collega’s konden wel een assistent voor je regelen, maar daar zag je van af. Niet jouw stijl. Maar de pijn is je op gaan breken. Alleen morfinepleisters maken dat je nog enigszins van deze dag kunt genieten.

Zittend in de viplounge van de Rotterdamse Topsportcentrum luister je naar wat de Bende van Vier – Elisabeth Willeboordse, Marhinde Verkerk, Edith Bosch, Carola Uilenhoed – over je te zeggen heeft. Willeboordse memoreert die gedenkwaardige dag in augustus 2008, toen ze haar kwartfinalepartij op de Spelen van Beijing verloor en jij haar moest zien op te peppen voor de strijd om het brons. Ze zat er doorheen, was in tranen, had geen zin meer om de tatami op te gaan. „Weet je meid”, zei je tegen haar, „je doet of normaal, of je gaat lekker op de tribune zitten.” Het was voor haar een reality check en daarna won ze totaal bevrijd de bronzen medaille.

Nog zo’n voorbeeld. Deborah Gravenstijn, op dezelfde Spelen. Ze had een blik in haar ogen die je niet aanstond, eentje van minimale concentratie, minder agressie dan je van haar gewend was. Normaal liet je haar altijd haar gang gaan, dat werkte voor haar het best, maar nu zei je: „Kom, vanaf hier neem ik het over.” Je hebt haar eigenhandig naar het zilver begeleid door als een kleuterjuf met een fluitje in je mond de focus terug te brengen. Ze moest volgen, en niet nadenken. Dat had je doorzien.

Hard en lief

En zo zijn er vandaag meer voorbeelden van judoka’s die vertellen dat er geen woorden nodig zijn om te zien wat er in iemands hoofd omgaat en hoe een coach zich dan moet gedragen zodat problemen wegsmelten en het beste in iemand naar boven komt. Marhinde Verkerk, misschien wel de beste vrouwelijke judoka van dit moment, vertelt over hoe je dan weer hard, dan weer lief kon zijn. Een knuffel als ze dat nodig had, maar je zei ook dat ze moest stoppen met janken als dat verdriet tot niets ging leiden.

Dat observeren, mensen lezen, dat is een handelsmerk gebleken. Hoogsensitiviteit kwam er ooit uit een psychologische test, en dominant op het gebied van presteren. Gravenstijn moet er om lachen. „Ja, dominant is Marjolein van Unen zeker.”

Maar dus ook gevoelig, vooral voor iemands stemming, zonder een woord te wisselen. De eigenschap kunnen herkennen, dat zit gewoon in je. Op de een of andere manier kon je op de juiste knop drukken bij pupillen en dat wisten ze. Daarom voelden ze zich bij jou zo op hun gemak, wilden de jongelingen ook door jou gecoacht worden. Maar dat moesten ze wel verdienen. Een nationale titel was niet genoeg, ga het eerst maar bewijzen op Europees en wereldniveau. Lukte dat, dan konden ze komen praten over bondstraining.

Rust

Maar jezelf op waarde schatten? Lastig. Zelfs op de dag van het afscheid als bondscoach kun je de credits moeilijk accepteren. Je deed het niet alleen, blijf je speechen, je had al die jaren een medische staf en legio trainers die je bijstonden. Zij hebben het mogelijk gemaakt. Als dat maar duidelijk is. Jezelf wegcijferen voor het algemeen belang, je leerde het van je ouders. Je vader had een aannemersbedrijf dat hij weer over had genomen van zijn vader. Dat moest altijd blijven doorgaan, koste wat het kost.

En nu? Nu snak je naar thuis in Brielle, waar je kittens en je vriend op je wachten. Tijd om uit te gaan rusten, literaire thrillers te lezen en, voor het eerst sinds je tienerjaren, een sociaal netwerk te onderhouden. Verkerk, de laatste judoka die je ook persoonlijk coachte, verwoordde het zo: „Pak je rust, zet jezelf weer centraal.” Dat is wat je gaat doen.

Maar er is alweer een deadline. Over vier maanden heb je een hartoperatie voor die ritmestoornissen achter de rug en is er hopelijk iets gedaan aan die pijn in je nek. En dan zou een terugkeer bij de judobond zomaar kunnen – misschien zelfs bij de internationale judofederatie. Ze mogen je altijd bellen.