Kop op, het is maar een auto

Foto Peter de Krom

Ik kom te laat aan bij de introductie van de Opel Karl. De persconferentie in het hippe restaurant onder de rook van Schiphol is al uitgetetterd. Maar de pr van Opel heeft geregeld dat ik toch even apart kan met de makers van de auto. En zo heb ik het halve ontwikkelingsteam helemaal voor mij alleen. Een mevrouw van de marketing, een ingenieur van de motoren, een ontwerper of sorts.

Begrijp het probleem. Ik moet iets met die mensen en die mensen moeten iets met mij: reclame maken. Maar daar staat een auto tussen die maar één argument verkoopt, zijn prijs. Er is werkelijk niets bijzonders aan de Karl, een simpel kleintje voor klein geld, de concurrent van ander grut dat niks mag kosten: VW Up!, Hyundai i10, Toyota Aygo. Zijn punchline is dat Opel eindelijk kan zeggen: kijk, dat hebben wij nu ook. Maar die techneuten staan er nu eenmaal. Wat nu?

Ik moet er niet aan denken dat ze het zichzelf en mij gaan aandoen het design te prijzen, dat er niet is, of de geavanceerde turbomotoren, die er niet zijn. De Karl is te koop als Selection, Edition en Cosmo – sober, minder sober, luxueus – die uit besparingsoverwegingen één motor delen: de uitstekende eenliter driecilinder met 75 pk die, met turbo en iets meer vermogen, ook grotere kleine Opels aandrijft. Opties bestellen – een schuifdak, online wifi – kan alleen voor de duurste versies. Er kunnen vier personen in en Karl zou één op twintig moeten halen.

Dat moet volstaan om te verhinderen dat kleine Opelrijders naar een Aygo grijpen. En ze hebben hem zo gemaakt dat je als Aygo-kandidaat zou kunnen denken: waarom ook niet, voor elf mille? Nou ja, twaalf met airco, want daarvoor moet je de Edition hebben. Hij ziet er best vlot uit, met leuke kleurtjes, en het is een Opel, dus het zal wel goed zijn. Dat nederige consumentenpragmatisme is het, hoor dit goed, waarvoor mijn drie gesprekspartners zich ongetwijfeld jaren hebben uitgesloofd. Ik geef toe dat ik maar één ding denk: daar sta je dan, dit is het leven.

Ik kan deze mensen, aardige mensen, toch niet voor paal laten staan. Dus ik doe wat ik al mijn hele leven doe om algemene verlegenheid op te vangen. Ik verzin een list en neem het woord. Heeft deze auto, vraag ik, een volledig vlak neerklapbare achterbank? Die hebben veel kleine auto’s namelijk niet. Je kunt de rugleuning omklappen die dan schuin op de zitting komt te liggen, waardoor je er niks aan hebt, want alleen een vlakke vloer is goed belaadbaar. Maar het is goedkoper dan het goed doen. Het scheelt scharnieren en dus kosten. Ik neem een geweldige gok. Is het antwoord nee, dan dring ik de Opelmensen in de verdediging. Dan moeten ze iets over de kosten zeggen, en dat mijn vlakke vloer er voor dat geld niet af kon. MAAR VERDOMD, HIJ HEEFT HEM!

Opluchting

Ik weet niet wie opgeluchter is, maar ik zie dankbaarheid voor mijn inlevingsvermogen. Nu hebben we tenminste iets omhanden met elkaar. Ik pak mijn momentum. Ik open de achterdeur, klap de zitting op, laat de rugleuning vallen, schuif de voorstoelen naar voren zodat het allemaal net past, en daar is hij dan: een zo goed als vlakke laadvloer. Hoe praktisch!, roep ik uit, terwijl toch iedereen ziet dat de echte opluchting over iets anders gaat. Kijk, zegt de ingenieur, daar kan een koelkast in!

Ik prijs Opel. Opel heeft nagedacht. Saved by the bell.

En dan moeten we natuurlijk rijden. Daar kan ik kort over zijn. Dat doet hij goed. “Niks mis mee”, zou ik tegen de eigenares zeggen, als ik zag dat ze onzeker was over haar Opeltje. En dan zeg ik eigenlijk hetzelfde als tegen de ingenieur, de marketingmevrouw en de designer of sorts: jôh, het is maar een auto. Mijn solidariteit met de Karl-rijder is onwrikbaar. Hij heeft alles wat hij nodig heeft. Het levendige motortje houdt zich op snelheid keurig koest. De goedkoopste Karl heeft al ESP, cruise control, elektrische ramen en stuurbekrachtiging, centrale deurvergrendeling met afstandsbediening en bandenspanningscontrole. Bij de Edition komt daar, naast de airco, nog een radio met vier luidsprekers bij. De Karl is de zoveelste auto die laat zien dat je niet meer dan twaalf mille hoeft uit te geven om in redelijk comfort en van alle gemakken voorzien in de dagelijkse file aan te schuiven.

Lees ook wat Bas van Putten eerder schreef over onder meer de Seat Leon Cupra en de Mazda 2.