Waar blijft de kritische econoom?

Ook na de crisis is er nog veel te veel ontzag voor ‘topeconomen’. De economiestudent wordt net als voorheen opgeleid tot hooghartige technocraat. Ewald Engelen vindt dat economen kritische intellectuelen moeten zijn.

Illustratie Tjarko van der Pol Illustratie Tjarko Van der Pol

We leven in een Econocratie. Wie het financieel economische taalspel beheerst, kan de top van de politiek, toezicht, banken en bedrijfsleven bereiken. Maar hebben wij ons wel voldoende rekenschap gegeven van het massieve ‘kennisfalen’ van de Grote Financiële Crisis? Met kennisfalen bedoel ik het onvermogen van academici, publieke intellectuelen en media om de waarheid tegen financieel-economische macht te spreken en om te onthullen dat de bankier en zijn bankeconoom, de toezichthouder en zijn beleidseconoom, de politicus en zijn economische adviseur keizers zonder kleren zijn.

Economen van voor de crisis bleken te vaak insiders die tegen betaling de theoretische legitimering verzorgden bij beleid dat vooral de belangen van grootbanken diende. Te vaak hebben academici uit andere disciplines zich neergelegd bij een arbeidsdeling die onderzoek naar de economie tot het exclusieve domein van de econoom maakte. Te vaak hebben publieke intellectuelen zich laten afschrikken door het numerieke jargon van de econoom. En te vaak ook, bleek de pers kortademig. Intussen mocht de financiële pers aanschuiven bij de groten der aarde in Washington of Davos. Dat doofde maar al te vaak hun kritische vermogens.

Zeven jaar na de crisis is er niet veel veranderd. Daarmee wil ik niet suggereren dat er niets is gebeurd. Van alle vergeten economen die sinds de crisis zijn herontdekt, zijn Keynes en Mynski veruit de sociaal-wetenschappelijkste. Al even verheugend is de hernieuwde aandacht voor economische geschiedenis.

Cognitieve winst is er ook op internet. Daar floreert de economische blogosphere sinds de crisis. Vrijwel iedere zichzelf respecterende econoom voorziet de laatste mutaties van de crisis bijna live van kritisch commentaar. Daarmee bewijst hij geïnteresseerde burgers een dienst die democratisch van onschatbare waarde is.

Hulde ook voor het IMF. Ooit verguisd vanwege zijn slagersrol in Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië, verwijst de onderzoeksafdeling sinds kort het ene na het andere heilige huisje naar de schroothoop. De aanpak van de Griekse crisis was desastreus, en dat lag aan het economisch fundamentalisme van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie. Ongelijkheid is slecht voor de economische groei. Een te grote financiële sector remt economische ontwikkeling. Flexibilisering van de arbeidsmarkt beschadigt het verdienvermogen van economieën. Zo bezien is het IMF nu progressiever dan de PvdA.

De toon bovenin de kennispiramide

Maar dit alles heeft de academische economiebeoefenaars zelf, die bovenin de kennispiramide de toon bepalen, nauwelijks beroerd. Daar schittert reflectie op de crisis en de eigen rol door afwezigheid. De enige aanwijsbare vernieuwing is de doorbraak van de gedragseconomie: een al langer bestaande mix van economie en sociale psychologie. De grote aandacht voor emoties, oogkleppen en vuistregels is onmiskenbaar een verrijking van de gedragsaannames van de economie. Tegelijk reproduceert dat het individualistische perspectief op de werkelijkheid dat de economie al zo lang parten speelt. Politiek, instituties, sociale normen, ideeën – ze komen in het universum van de econoom alleen voor als prikkels die het keuzegedrag van actoren beïnvloeden. Dat levert een buitenproportionele aandacht op voor hebzucht, kuddegedrag en zelfoverschatting. Macht, politiek, lobbyen en ongelijkheid verdwijnen zo uit beeld.

De vanzelfsprekendheid waarmee economen de eigen conventies voor universele normen houden en inzichten uit andere disciplines als onwetenschappelijk afwijst. Het gemak waarmee in 2010 aan mijn eigen Alma Mater bezuinigingen zijn afgewenteld op de uitmuntend presterende vakgroep geschiedenis en methodologie van de economie. Het anti-intellectuele ingenieursdom. De geringe belezenheid. De arrogantie, het machismo: 70 procent van de economen is man. Het gebrek aan zelftwijfel, zelfonderzoek, aan filosofische reflectie op de grondslagen van de eigen discipline. De trotse viering van het eigen isolationisme: geen discipline met minder verwijzingen naar andere disciplines dan de economische. De doofheid voor de terechte klachten van studenten over het bloedeloze karakter van economie. Zeven jaar na de crisis zijn dat nog altijd de kenmerken.

Het overdreven ontzag van de media voor de vermeende expertise van de econoom helpt daar niet bij. Sinds 1980 hebben Nederlandse media volgens persdatabank LexisNexis zo’n duizendmaal het adjectief ‘topeconoom’ gebruikt. Tot aan de crisis ruim driehonderd keer, daarna heeft een Nederlandse journalist meer dan zevenhonderd keer een econoom ‘top’ genoemd. In diezelfde periode overkwam dat maar vijf sociologen, geen politicoloog, geen antropoloog, vijf historici, zes filosofen (onder wie Cruijff) en geen enkele geograaf.

Samenlevingen als de onze zijn gedoemd de fouten uit het verleden te herhalen als we niet voldoende intellectuele tegenmacht mobiliseren. Nimmer was de ‘financialisering’ van ons leven zo groot: pensioen en hypotheek; private equity in kinderopvang, vuilverwerking en grootwinkelbedrijf; vastgoed en derivaten in de semipublieke sector; aandeelhouderswaarde in het grootbedrijf. En nimmer was de financiële geletterdheid zo klein. Daarmee bedoel ik niet dat je het fenomeen van rente-op-rente begrijpt, maar dat je een gezond wantrouwen koestert jegens de verkooppraatjes waarmee de bancaire sector ons, onze toezichthouders en onze politici ervan probeert te overtuigen dat de status quo de beste van alle mogelijke werelden is.

Geïnstitutionaliseerde argwaan dus, liefst geschraagd door een forensisch ethos: waar gaat het geld heen? Wie wordt er rijk van? Wie betaalt het gelag? Hoe wordt het verdiend? Hoe wordt dat verdoezeld? En, vooral, hoe wordt het gelegitimeerd? Wat zijn de metaforen, gelijkenissen en verhalen waarmee hebzucht van zijn politieke angel wordt ontdaan? Wie vertelt die verhalen? Waarom? Wat is hun belang?

Begrijp me niet verkeerd: het wordt gedaan. Neem de grote journalistieke onderzoeksproducties van NRC Handelsblad, Vrij Nederland en de Groene Amsterdammer; kijk naar de muckraking van internetplatforms als Follow-the-Money en De Correspondent; neem de kritische reportages en documentaires van Radar, Zembla, Argos en Nieuwsuur. Maar het is allemaal te incidenteel, graaft vaak niet diep genoeg, en, vooral, het vergeet de structurele, maatschappelijke voorwaarden voor de misstanden die zij aan de kaak stellen, bloot te leggen.

Niet verpozen maar aanklagen

Er is een economische orde ontstaan waarin financial engineering profijtelijker is dan het maken van goederen en diensten voor burgers. En het ontstaan van die orde heeft alles te maken met de erosie van de onderhandelingsmacht van de factor arbeid als gevolg van het politieke besluit, eind jaren zeventig, om grootbedrijven verregaande privileges te geven zonder daar maatschappelijke voorwaarden aan te verbinden. Dát blootleggen vereist een andere taakopvatting. Voor media: niet amuseren, maar informeren; niet verpozen maar aanklagen; niet aanschurken tegen de macht maar de macht unverfroren de waarheid zeggen. Voor academici: niet dienstbaar zijn aan overheid, arbeidsmarkt, grootkapitaal en de bespottelijke ranglijstjes, maar aan burgers.

Als er namelijk iets is waaraan burgers behoefte hebben, is het een constante, onverbiddelijke, nietsontziende kritiek van de status quo. Dat kan alleen als we die kraamkamer van het intellect, de universiteit, transformeren van een technocratenmachine naar een instelling waar waarheidssprekers worden gevormd. Michel Foucault zegt dat de waarheid van hun uitspraken gewaarborgd is door hun oprechtheid, hun integriteit en hun moed. Wat zij uitspreken, wijkt af van de communis opinio en is daarmee gevaarlijk voor de waarheidsspreker zelf. Vandaar Foucaults nadruk op deugden en karaktervorming: hier sta ik, dit zeg ik, ik kan niet anders. Tegelijk kan de ongemakkelijke waarheid de gemeenschap behoeden voor collectieve dwalingen. Wat zou het fraai zijn als dát de missie van economieopleidingen was. Studenten kneden tot waarheidssprekers die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, geïnformeerd door het emancipatoire inzicht dat de status quo niet aan natuurwetten beantwoordt maar een mensenmaaksel is en dus veranderd kan worden. Wat zeg ik: moet worden.