Vrijheid, dat kon het Russische volk niet aan

De Russische historicus Joeri Afanasjev (1934-2015) liep in de jaren 80 voorop in de Russische perestrojka. Hij eindigde op een zwarte lijst als scherp criticus van president Poetin.

Historicus Joeri Afanasjev woonde sinds de dood van zijn vrouw vaak in zijn zoons datsja. Foto’s AFP, montage Fotodienst NRC

In Rusland zijn historici halve politici. Ze waren in de Sovjettijd dienstbaar aan de Communistische Partij (CPSU) en zijn dat aan Poetin, de heer die nu in het Kremlin resideert. Joeri Afanasjev, die op 14 augustus overleed, was een uitzondering.

Tot het laatst uitte de historicus, die er tijdens de glasnost voor streed dat dé partij in 1990 haar machtsmonopolie zou opgeven en een Europese koers bepleitte, scherpe en vooral diepgaande kritiek op het Kremlin. Poetin gaf leiding aan een „orthodox-christelijk spionnenregime”, zei hij. Dit op de geheime dienst FSB en de Russische kerk gestoelde bewind had echter weinig te duchten. Op straat stond namelijk een „agressief gehoorzame meerderheid”, legde hij mij uit toen ik hem in maart voor het laatst thuis opzocht.

Afanasjev woonde sinds de dood van zijn vrouw in 2008 vaak in zijn zoons datsja, die hij zelf had voltooid met het houtsnijwerk waarmee de Russische boerenhoeve traditioneel wordt versierd. Trots leidde hij me rond in zijn werkplaats met beitels en cirkelzagen. Binnen bij een kop soep gaf hij een minicollege: over het „neostalinistische” leiderschap met een hoofdletter L, een machtsvorm waarop het ten diepste „horige” Rusland patent heeft. Diezelfde macht had hem twee jaar eerder op een zwarte lijst gezet omdat hij, net als neonazi’s, een „extremistisch artikel” zou hebben geschreven. De titel van dat verboden stuk: ‘Is een liberale missie in Rusland vandaag nog mogelijk?’

Afanasjev volgde de actuele politiek op de voet, maar analyseerde het hier en nu in lange lijnen die soms eeuwen teruggingen. Hij volgde daarmee de Annales-school van een groep twintigste-eeuwse Franse historici, die in hun werk meer zochten naar structurele onderstromen (‘longue durée’) dan naar dagelijkse politiek. Joeri Afanasjev was door de Annales beïnvloed, omdat hij 1971 en 1976, als veelbelovend communist en historicus, tweemaal stage had gelopen aan de Sorbonne in Parijs.

Met die bagage was de boerenzoon uit de provincie Oeljanovsk, die zich dankzij de jeugdbeweging Komsomol had kunnen ontwikkelen, in 1983 aan de slag gegaan als redacteur van de Communist, theoretisch tijdschrift van de partij. Twee jaar later trad Michail Gorbatsjov aan en begon de glasnost (openheid). Afanasjev, intussen rector van de Hogere Partijschool, de eigen universiteit van de Communistische Partij, omarmde die. Bij de eerste ‘vrije’ verkiezingen in de Sovjet-Unie in 1989 werd hij als ‘niet-partijkandidaat’ in het nieuwe parlement van Gorbatsjov gekozen. Hij was een van de drijvende krachten achter de fractie van de dissident Andrej Sacharov en de latere president Boris Jeltsin, een groep die een nagel aan de doodskist van de partij werd en een rol speelde bij de opheffing van de Sovjet-Unie in 1991. Zelf was hij toen geen lid meer van de partij, waarvan hij een jaar na de dood van Stalin in 1953 lid was geworden.

Afanasjev werd sindsdien vaak de ‘voorman’ genoemd van de perestrojka (hervormingen). Dat was correct. Maar hij was ook de profeet van het fiasco ervan. „Uitgaande van het feit dat in onze geschiedenis de vrijheid als categorie afwezig is, ben ik niet erg optimistisch, althans niet voor komende twintig tot dertig jaar”, zei hij in 1993, het jaar waarin hij de actieve politiek verliet. Hij kon geen enthousiasme meer opbrengen voor president Jeltsin, die terugschrok voor diepgaande hervormingen. Afanasjev voorzag dat „machtsmisbruik, schending van de wet, zwakke instituties en corruptie” in Rusland zouden door etteren.

Het kwam grotendeels uit. Toen ik hem kort na de Russische annexatie van de Krim in maart vorig jaar opzocht in een ziekenhuis – hij had diabetes en hartklachten – en vroeg waarom het zover was gekomen, verwees hij naar de lange lijnen. Jeltsin, zei hij met zijn baritonstem, had met zijn privatiseringen niet alleen het gewone volk van zich vervreemd maar ook helemaal geen burgerlijke klasse of rechtsstaat gecreëerd. Jeltsin was niet wezenlijk anders dan alle leiders voor hem. Rusland was daarom een paternalistisch land gebleven. Zelfs de oligarchen waren geen zelfstandige bezittende klasse maar onderhorigen van de macht in het Kremlin.

Het regime van Poetin kon gedijen, omdat het kon voortborduren op een in „essentie” autoritaire staat en een gewillig en afhankelijk volk. Dat het bewind van de verkiezing van Poetin in 2012 met repressie kon reageren op een ontluikende protestbeweging, zonder dat het daardoor maatschappelijk in de knel was, typeerde hij als „totale overwinning” van de KGB- en partijputschisten die in 1991 nog een mislukte staatsgreep tegen Gorbatsjov en Jeltsin pleegden.

Al in 1993 voorvoelde Afanasjev dat het zo zou aflopen. Maar zelf zag hij zich toch niet als een waarzegger. In zijn laatste optreden voor het kritische radiostation Echo van Moskou zei hij in april dit jaar: „Ik was toen net zo gedachteloos infantiel als de rest.”