Rembrandt verkocht aan buitenlandse rijkaards

Met nationalistische argumenten koopt de staat Rembrandts voor een toptarief, maar de schilder zelf had niks op met volk of natie, in een tijd dat Nederland nog niet eens bestond, betoogt Pieter van Os.

D66-leider Alexander Pechtold zal niet vaak zijn beticht van „naargeestig nationalisme”. Afgelopen dinsdag was het wellicht de eerste keer, in een Kamerdebat over de aankoop van twee Rembrandts door de Nederlandse en Franse staat. Het verwijt kwam van Kamerlid Martin Bosma en klonk meer als plaagstoot (wie denkt er hier nu „achter de dijken”?) dan als serieuze kritiek.

Maar grap of niet, de PVV’er legde de vinger wel op een zere plek. Het internationalistische perspectief dat D66 kiest als het om economie of mensenrechten gaat, blijkt weinig principieel als er publiek geld kan worden uitgetrokken voor grote kunst. Dan zijn nationalistische argumenten geen probleem. Kamer en minister volgden.

Natuurlijk, het ging minister Jet Bussemaker (PvdA, Cultuur) erom dat de twee portretten in publieke handen komen. Maar belangrijk is ook, zei ze, om de twee „naar Nederland terug te halen”. Later, toen bleek dat Frankrijk meedoet in een om-de-beurt-deal, was het van belang „om ze op Europese bodem te houden”. Het ergste zou zijn, aldus een Kamerlid, als ze naar „China of één van de Golfstaten” gaan. Het Kamerlid kreeg geen tegenspraak. Sterker, Pechtold zei dat zo’n vooruitzicht, China of een Golfstaat, hem „een gruwel” is.

Nou nou. Dat moeten wel heel ongeciviliseerde bruten zijn, die Chinezen en oliesjeiks. En u weet: zwijnen verdienen geen parels, al betalen ze er zelf voor.

Tikje xenofoob wel. En behalve dat, gaan Tweede Kamer en afgestudeerd kunsthistoricus Alexander Pechtold ermee voorbij aan de geportretteerden (nieuwe rijken die hun fortuin buiten de deur verdienden) en ook aan Rembrandt zelf, die graag verkocht aan buitenlandse opdrachtgevers. Hij wilde het maken in wat nu Italië heet, zo blijkt uit een brief die hij een buitenlandse opdrachtgever schreef. Door zijn gierigheid en grilligheid kwam het niet vaak tot een deal, maar als hij aan het buitenland verkocht, was het aan rijkaards uit streken zo ver als Sicilië.

Dat eiland lag in de zeventiende eeuw op minstens zo’n grote afstand als China nu. De golfstaten? Ongeveer bij Zwitserland nu.

Zelf kocht Rembrandt ook, en daarbij keek hij niet naar landsgrenzen. Begrijpelijk, want kunst behoort tot het cultureel werelderfgoed, ‘world heritage’, niet tot iets wat politici graag nationaal erfgoed noemen. Zoals de directie van het British Museum zo vaak terecht stelt: de friezen van het Parthenon zijn van de mensheid, niet van de huidige inwoners van Griekenland – even los van de vraag of Lord Elgin de beeldengroepen illegaal naar Engeland heeft gehaald. Wie alle kunst terug wil brengen naar het land van origine, heeft een probleem (wat te doen met werk van rondreizende Venetianen bijvoorbeeld, of Mondriaans vervaardigd in Amerika?) en handelt bovendien in strijd met het grenzeloze karakter van goede kunst. Daar komt bij dat landen die menen dat bepaalde kunst van hen is, meestal nog niet bestonden toen die kunst werd gecreëerd. Tot de opkomst van het fenomeen nationale kunst, aan het einde van de achttiende eeuw, vervaardigden kunstenaars hun werk niet voor volk of natie, maar voor God (kerk), koningen (hof), soms voor edellieden en in Holland ook voor koopmannen en internationaal opererende bankiers. We noemen Dürer nu een Duitser en Caravaggio een Italiaan, maar dat zijn feitelijk anachronismen.

Ook het koninkrijk Nederland bestond nog niet in de tijd dat Rembrandt schilderde. Holland wel, zeker, en het is waar dat hedendaags Amsterdam deze dure portretten een betekenisvolle context verleent. Tegelijk moeten we ook beseffen dat Maerten Soolmans en Oopjen Coppit hun aankoopbedrag en mooie plaats in het Rijksmuseum danken aan buitenlanders. Door hun waardering van Rembrandt na zijn dood, werd zijn werk wereldwijd populair, beroemd en, ja, duur. Fransen en later Amerikanen (de sjeiks van toen) waren bereid torenhoge bedragen voor zijn werk te betalen.

Hier werd Rubens als de grotere vaderlandse kunstenaar gezien. Maar ja, Rubens werd na het ontstaan van België in 1831 een Belg. Daarna groeide Rembrandt pas uit tot kunstenaar des vaderlands, en dat was wellicht nooit gebeurd zonder de toen niet meer te stoppen buitenlandse bewondering voor deze Hollander.

Is medelijden dan geboden met de oliesjeiks en Chinese miljardairs? Zijn zij slachtoffer van ons eurocentrisme? Zeker niet. Net als de De Rothschilds lachen zij in hun vuistjes. Frankrijk en Nederland hebben de hoofdprijs voor de werken betaald. Het record voor een openbaar verkochte Rembrandt staat op 22 miljoen euro – voor een ander mooi portret, uit 1658, van een buitenlandse admiraal. Deze 160 miljoen euro aan publiek geld legitimeert dus niet alleen de exorbitant hoge prijzen op de kunstmarkt, maar drijft die prijzen ook op. Beide is goed nieuws voor kunst kopende miljardairs, waar ook ter wereld. Hun terechte conclusie: met het argument ‘eigen’ kunst op ‘eigen bodem’ te houden, dragen belastingbetalers in Frankrijk en Nederland hun steentje bij aan het laten renderen van beleggingen in topkunst.