Column

Pindakaasmond

Georgina Verbaan

Sinds vier weken hinkel ik elke dinsdagavond in een tl-verlichte danszaal, zwetend achter een gevarieerde groep enthousiastelingen aan. Ik zit namelijk op tapdansen. Sinds ik als kind Gene Kelly in Singing in the Rain zag, droom ik ervan te kunnen tappen. Als tiener wilde ik op een verlaten perron nog weleens een poging wagen, en met bepaalde schoenen aan klonk het daar best aardig. Maar ik kon het natuurlijk niet, en berustte in de veronderstelling dat ik toch al te oud was om het nog te leren. Bovendien was ballet jaren eerder ook al geen eclatant succes gebleken, omdat ik niet eens een vaag gevoel heb voor wat links dan wel rechts zou kunnen zijn, en ik überhaupt altijd geestdriftig een andere kant opstiefelde dan de rest van de groep. Er is een foto van mij in een balletpakje met een pindakaasmond, Floddertje-haar en een hele grote, witte onderbroek die als een halve linnenwinkel onder het pakje vandaan was gezakt en daar gevangen zat in een zachtroze panty. In mijn worstenvingertjes een handboeketje plastic bloemen. Ik keek trots, of waanzinnig. Hoewel ik geconstipeerd ook niet wil uitsluiten. Nadat de bitse juf mij vlak voor DE UITVOERING een springtouw in de handen had geduwd en mij achter de andere kinderen geposteerd had met de opdracht ‘dan maar wat touwtje te springen’ ben ik met ballet gestopt, want touwtjespringen kon ik ook al niet.

Nu sta ik dus weer in zo’n zaaltje, omdat een collega zei dat ik best nog wel kon leren tappen. Misschien zei hij dit alleen omdat hij wilde dat ik zou stoppen met het zingen van ‘Singing in the rain’. Net zoals mijn buren, die in een hulpgroep zitten, met al mijn vorige buren, omdat ik alle liedjes uit de film uit mijn hoofd ken en dat kenbaar maak door geluidsgolven uit te stoten die kapotslaan op zaken. In de taples veel lieve jongeren die op mij zeer dansant overkomen, verder een vrouw van een jaar of zeventig en een oude Indische meneer in een combatbroek. De eerste tien minuten zijn geweldig. Dan heb ik het gevoel dat ik geboren ben om te tappen. Maar dat blijkt steeds de warming-up. Daarna gaat het shuffle shuffle flap! Met links en rechts en dan weer links, maar niet gewoon met de linkervoet, nee! Linkerhak! Rechtertenen! Rechterhak! Linkerhak, shuffle, flap en dan een sprongetje! De bejaarden en ik belanden in zo’n nachtmerrie waar de grond steeds onder je wegvalt en de rest tapt monter door. Ergens in dat stadium tussen zelfhaat en maniakale destructiedrift in, bedenk ik elke keer dat ik stiekem privélessen moet nemen, zodat ik de week erop binnen kan sjokken met een vinger in mijn neus om vervolgens DE tapsolo in de geschiedenis der tapsolo’s neer te leggen. Dit gaat al lang niet meer om Gene Kelly nadoen. De eer van Kleine Pindakaasmond moet gered.