Onze trots

Geen fijne week voor onze nationale trots: Kunduz onder de voet gelopen door de Talibaan, opbouwmissie weggevaagd, de KLM aan de rand van de afgrond, een regering die keer op keer schoorvoetend moest toegeven de regie kwijt te zijn - over de spoorwegen, over justitie, over de politie, over de vluchtelingen. Het had allemaal nog goed kunnen komen als we Maerten Soolmans en Oopjen Coppit aan ons nationale erfgoed hadden kunnen toevoegen. Niemand die een jaar geleden van de twee Rembrandts gehoord had, maar nu waren ze plotseling heel erg van ons. Gek eigenlijk dat we er voor moesten betalen.

REMBRANDTS KOMEN THUIS.

Niks ervan. In een oogwenk sloeg de nationale euforie om in een nationale depressie. Ze komen, maar voor de helft Frans – net als de KLM, en we weten wat daar van komt. Het voelt als een verloren finale, een afgeblazen Elfstedentocht, de jurk van Trijntje. Eerst was er trots, nu is er alleen nog schaamte voor die trots.

De media geneerden zich voor hun zelfrijzend triomfalisme. Er werd hard afgerekend. Het Rijksmuseum heeft de huid verkocht voordat de beer geschoten was, minister Bussemaker heeft het verknoeid, verprutst, verknald. De Franse minister van Cultuur werd vorig jaar nog wereldwijd te kijk gezet omdat ze geen enkele titel van de Nobelprijswinnaar Patrick Modiano kon noemen. Dachten we nou echt dat ze zich nog een keer als cultuurbarbaar te kijk zou laten zetten?

Inmiddels zitten we in de onvermijdelijke fase van het vingerwijzen. Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, weigert zijn kring van superrijke Hollanders nog aan te spreken, die je kennelijk helemaal gek kunt maken met de belofte van postuum belastingvoordeel. De minister van Financiën siste eerst nog dat hij echt niet alleen die tachtig miljoen ging ophoesten, maar slikte – we zijn het gewend – zijn woorden weer in. Maar daarna bitste Bussemaker weer dat het Rijks best „iets mag terugdoen voor de culturele sector”. De fractievoorzitters van 160 miljoen voelen zich intussen misleid, gepiepeld, genaaid.

We mogen blij zijn als dit geen parlementaire enquête wordt.

Een maand geleden schreef de Franse politicoloog Dominique Moïsi dat hij na een bezoek aan het Rijksmuseum geschrokken was van de nieuwe opstelling: neonationalisme! „Het oude gebouw, dat een beetje versleten was geraakt, was een eerbetoon geweest aan de universele aantrekkingskracht van de grote schilders van het land, zoals Rembrandt en Vermeer. [Nu] brengt het nieuwe Rijksmuseum een heel andere boodschap over – eerder een viering van de Nederlandse kunst en geschiedenis.”

Wat is daar mis mee? Nationale trots heeft ieder land nodig, dat ziet Moïsi ook wel; om een trotse Europeaan te worden, moet je eerst een trotse Nederlander kunnen zijn. Maar het probleem is dat er nauwelijks trotse Europeanen meer zijn en dan begint zo’n uitstalling van nationale glorie verdacht veel op compensatie te lijken. Moïsi: „Net als andere Europeanen doen zij een beroep op het verleden ter compensatie van de desillusies en frustraties van het heden, en de onzekerheden van de toekomst.”

Moïsi kreeg na zijn artikel Hollandse hoon te verduren (gaat een Fransman ons beschuldigen van chauvinisme!?), maar had hij niet een punt? Twee „nieuwe” Rembrandts in het Rijksmuseum, ik spuug er niet op, maar het gevoel van deceptie dat nu overheerst, spreekt boekdelen. In een geslaagd Europa zou het gezamenlijk „redden” van twee zulke doeken voor een algemeen publiek niets minder dan een triomf zijn geweest – gezamenlijke trots in plaats van nationale trots, geweldig dat twee landen in staat blijken peperdure kunstwerken te delen. Het Europese project is zo bedoeld; niet het opgeven van trots, maar het delen van trots. Anders dan de Franse minister van cultuur heb ik wel zowat alle boeken van Modiano gelezen – zo werkt dat met goede kunst, die is zelf nooit nationalistisch.

Natuurlijk proberen alle betrokkenen de „troostprijs” nu zo te verkopen, maar hun inzet was wel degelijk dat commercieel opgefokte neonationalisme, dat enkel nog in termen van moneymakende meesterwerken en topkunst denkt, enkel nog goede sier wil maken met onbetwiste nationale kroonjuwelen als het Rijksmuseum, het Concertgebouworkest en, vooruit, het Van Gogh-museum.

Voor een Hondecoeter had Pechtold de fractieleiders niet opgetrommeld. Niet zozeer de deceptie over de deal met de Fransen zegt iets over onze nationale depressie, maar de kinderlijke euforie die eraan vooraf ging.