NEE!

Een referendum over het associatieverdrag EU/Oekraïne wordt al snel een uitlaatklep voor algemeen ongenoegen over de EU. Het doet geen recht aan de inhoudelijke beoordeling die dat verdrag verdient, stelt Linda Senden.

Geweldig dat burgers erin slagen meer dan 300.000 handtekeningen op te halen voor de organisatie van een referendum, maar jammer dat zij dit zien als hét redmiddel van de democratie en als dé manier om de machtsoverdracht aan de EU te stoppen.

In die visie liggen twee belangrijke gedachten besloten: dat onze democratie in grote nood verkeert en dat machtsoverdracht aan de EU per definitie een slechte zaak is. GeenPeil legt daarbij de nadruk op het onvermogen van de politiek en het gebrek aan parlementaire grip op wat er in Europees verband wordt besloten. Er spreekt groot ongenoegen uit over hoe ons eigen parlementaire stelsel in EU-verband functioneert en een gebrekkig vertrouwen in hoe onze politici de belangen van burgers vertegenwoordigen. Het referendum gaat echter geen zaligmakende reddende engel zijn.

Ten eerste. Referenda geven burgers weliswaar een stem, maar niet over hoe het zou moeten. Hoewel referenda als een katalysator kunnen werken voor de publieke belangstelling van de burger in EU-zaken, dragen ze het risico in zich van een te versimpelde voorstelling van en omgang met de werkelijkheid, zeker als het om grote, complexe vraagstukken gaat.

Burgers kunnen immers alleen maar een ja of nee laten horen en er is geen ruimte voor een genuanceerdere beoordeling van de noodzaak, inhoud en vorm van overheidsoptreden, op nationaal dan wel EU-niveau. Er is dus geen ruimte om sommige delen van het associatieverdrag te ondersteunen en andere te verwerpen. De zwart-wit-, voor-tegen- en alles-of-nietsbenadering die inherent is aan het instrument van het referendum werkt dan ook meer polariserend dan dat het zal leiden tot een constructief debat over hoe de relatie tussen de EU en Oekraïne het beste vorm moet krijgen.

Meer algemeen mag de vraag van bevoegdhedenoverdracht aan de EU niet los worden gezongen van de vraag wat het alternatief is; in het bijzonder van de vraag hoe de nationale overheid anderszins problemen effectief kan oplossen en beleidsdoelen kan realiseren. Dát is wat centraal zou moeten staan in de discussie en het parlement vormt daar de arena bij uitstek voor.

Politici moeten zich meer rekenschap geven van de verantwoordelijkheid die ze hierin dragen, en voordat ze hun goedkeuring verlenen aan belangrijke EU-besluiten daarover zelf op tijd het publieke debat aanzwengelen.

Ten tweede. Referenda dragen niet bij aan een structurele oplossing van het door de burger ervaren democratisch tekort van de EU. Politisering van het nationale, inhoudelijke debat over voorgenomen EU-verdragen en wet- en regelgeving is hard nodig. Maar referenda leiden in zichzelf niet tot een beter functioneren van ons parlementaire stelsel op dit punt.

De democratie op Europees en op nationaal niveau vereist meer betrokkenheid en draagvlak van de burger dan een incidenteel (raadgevend) referendum kan bieden. Dat vraagt om een aanpak die niet het denken in tegenstellingen te pas en te onpas aanwakkert, maar om een continu politiek proces.

Als het gevoelen nu is dat de huidige parlementaire goedkeuring niet volstaat voor het borgen van het democratisch draagvlak van bepaalde EU-besluiten, dan pleit dat er eerst en vooral voor het eigen parlementaire en constitutionele stelsel kritisch tegen het licht te houden en te versterken. De huidige politieke discussie over een verzwaarde meerderheid voor wijziging van de EU-verdragen kan tegen deze achtergrond worden bezien.

Daarnaast zouden we ook het debat over het introduceren van de mogelijkheid van constitutionele toetsing niet moeten schuwen. Constitutionele hoven in Duitsland en Ierland geven burgers de kans hun stem te laten horen over de richting die Europese integratie neemt en de nationale grondwettelijkheid van belangrijke EU-besluiten te laten toetsen door een onafhankelijke instelling.

Daarmee spelen ze niet alleen een belangrijke rol in de beoordeling van de rechtmatigheid van EU-besluiten, maar kunnen ze ook een impuls geven aan het politieke en maatschappelijke debat erover.

Ten derde. Referenda moeten niet verworden tot een uitlaatklep voor algemeen ongenoegen over de EU. Het is een zwaktebod van een parlementair stelsel om het instrument van het referendum te zien als een acceptabele uitlaatklep voor het wantrouwen van de burger in het politieke systeem. Daarmee wordt immers geen recht gedaan aan de kwestie die in een referendum ter discussie wordt gesteld en waarmee grote belangen gemoeid kunnen zijn.

Dat geldt ook voor de eenzijdigheid waarmee de initiatiefnemers van het raadgevend referendum de goedkeuringswet over het EU-associatieverdrag met Oekraïne als testcase hebben uitgekozen om hun eigen zaak te dienen: alles wat riekt naar bevoegdhedenoverdracht of verruiming van EU-bevoegdheden moet per definitie worden gestopt. Daarmee wordt geen recht gedaan aan de inhoudelijke beoordeling die het verdrag verdient – een verdrag dat juist ook strekt ter bescherming van de democratische belangen van de gehele Oekraïense bevolking.