Column

Nationale democratie als poppenkast

Het komende referendum in Nederland over het Europese associatieakkoord met Oekraïne is, wat je er verder ook van vindt, een teken dat globalisering en nationale democratie steeds moeilijker samengaan.

Europese landen werken op economisch gebied steeds meer samen. Ze hebben één markt gecreëerd, waarbinnen personen, goederen en diensten min of meer vrij kunnen bewegen. Dit is geleidelijk gegaan. En democratisch.

Niet dat over elke stap een referendum in elke lidstaat is gehouden. Integendeel: Europeanen verdienden zo goed aan de interne markt dat er tot in de jaren negentig nauwelijks een haan naar kraaide. Elke stap naar meer economische integratie werd genomen door Europese regeringsleiders, door ministers, of door nationale diplomaten die regeringsbeleid uitvoerden (EU-ambassadeurs hebben constant contact met hun regeringsleiders).

Ook dat kun je moeilijk ondemocratisch noemen. De Europese Commissie, waar mensen uit alle lidstaten werken, houdt toezicht op de markt. Ze moet optreden als landen of bedrijven vals spelen. EU-regeringen hebben lang geleden ook besloten dat de Commissie namens hen mag onderhandelen met derde landen – zoals Oekraïne, of Zuid-Korea – over handelsakkoorden. Natuurlijk zitten Europese hoofdsteden daar constant bovenop, om te zorgen dat nationale belangen en die van hun bedrijven gediend worden. Zodat Commissie-ambtenaren vaak meer tijd kwijt zijn met ‘interne EU-afstemming’ dan met de nieuwe handelspartner.

Een enkel Europees land kan over handelskwesties geen veto uitspreken. Er is meerderheidsbesluitvorming, anders kom je nooit vooruit met zijn 28’en. Maar in de praktijk sturen landen het hele proces van begin tot eind, jarenlang, in een complexe stoelendans met experts, lobbyisten van milieuorganisaties of bedrijven, consumentengroepen en het Europees parlement.

Dit is verre van doorzichtig. Maar ondemocratisch is het evenmin. Iedereen wordt ‘geconsulteerd’; daarom is Europa vaak zo traag. Als je er vroeg bij bent en weet wat je wilt inbrengen (of torpederen) kun je fors wat invloed hebben.

Voor een goed gesprek over handelsakkoorden, zoals die met Oekraïne, moet je dus niet in Den Haag zijn. De Eerste en Tweede Kamer praten net als parlementen in andere landen over zo’n akkoord. Zelden over, zeg, importheffingen op een bepaald type aardappel – want op zulke kwesties komt het in praktijk neer. Wel over algemene zaken als ‘stabiliteit in de regio’ of over ‘mensenrechtengaranties’ die erin staan. Niet dat dat veel uithaalt, maar dat zegt niemand.

Nationale democratie is bij zulke onderwerpen min of meer poppenkast. Je houdt de oude rituelen, besluitvorming gebeurt elders. We hebben – willens en wetens – veel economische beslissingen Europees gemaakt, maar de democratie nationaal gehouden. Dit is een mismatch die zich steeds vaker wreekt. Burgers worden balorig. Ze hebben weinig greep meer op bepaalde onderwerpen. Tegelijkertijd weten ze dat de globalisering ook zonder landjes als Nederland wel doorgaat.

Er zijn twee oplossingen: of je maakt de economie weer nationaler, of je maakt de democratie op sommige terreinen meer Europees. Het eerste kost ons een deel van onze welvaart. Over het tweede breken velen zich nu het hoofd: hoe betrek je nationale parlementen meer en beter bij internationale vraagstukken, zijn er nieuwe structuren te bedenken voor meer Europese democratie?

Een referendum houden als sabotage, om ‘politici te pesten’ – een van die mechanismen waar Brussel ‘lekker niks over te zeggen heeft’ – is een heel slecht idee. Maar het is wel een teken dat een democratischer Europa haast verdient.