Moraal: de Kamer mag je niet bedriegen, de media dus wel

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: Ard van der Steur en de oplaaiende discussie over gepolitiseerde voorlichting. Ofwel: waarom is het onvolledig inlichten van de Kamer erger dan bedrog van de media?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

In het informele gesprek tussen de Haagse reporter en zijn politieke bronnen komt ‘het complot’ vrij vaak voor. Het complot is hier een lichtvoetige manier om vragen weg te lachen.

Dit gaat ongeveer zo. De journalist werpt op of een paar recente voorvalletjes verband met elkaar houden. De politicus of spindoctor antwoordt met minzame spot. „Jullie denken dat overal een complot achter zit.”

En ik geef toe: dan sta je mat. Lees een paar historische studies naar grote politieke momenten en je weet dat geschiedenis meestal door toeval en andere kleine lulligheid wordt bepaald. Events, dear boy, events. De politicus stuurt niet, de politicus wordt gestuurd.

Nu kan ik me vergissen, maar ik geloof óók dat de huidige generatie politici en overheidsmanagers moeite heeft met dit laatste verschijnsel. De geringste vergissing kan het eigen imago al drastisch bederven. En zij hebben de intuïtieve neiging het eigen merk geharnast te beschermen. De maakbaarheid van het (politieke) Haagse individu: een boeiende vergissing.

Het verklaart ook, denk ik, de incidenten waarbij overheden onder het mom van voorlichting feiten verdraaien. Deze week hadden we het debat met Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) over de georkestreerde foto van Volkert van der G. De minister had de Kamer onvolledig geïnformeerd en parlementariërs hamerden op dezelfde clichés: de „falende” informatievoorziening aan de Kamer en de zwakke „interne communicatie” op het departement.

Politiek en staatsrechtelijk logisch. Maar ethisch vreemd. Veel belangrijker leek mij dat de overheid er blijkbaar niet meer voor terugschrikt om media – in eerste instantie De Telegraaf, daarna alle media – te bedriegen.

Volkert was immers niet toevallig gekiekt. De overheid had dit geïnitieerd, op goede gronden misschien (’s mans veiligheid), maar diezelfde overheid handelde er onwaarachtig bij: men suggereerde toeval waar regie het geval was. Dus het zal vast zo zijn dat ik als Haags verslaggever te veel politieke machinaties vermoed, maar ik zeg u eerlijk: dit had ik nooit voor mogelijk gehouden.

Het staat vermoedelijk niet op zichzelf. Eerder dit jaar hadden we dat voorval met die zorgondernemer uit Deurne. Zij ontving geen persoonsgebonden budget (pgb) en klaagde op Twitter (#pgbalarm). Toen zij met een rechtszaak dreigde kreeg ze alsnog haar geld, onder de contractueel vastgelegde eis dat zij zou twitteren: „Probleem tot onze tevredenheid opgelost! #pgbalarm”.

De benadeelde burger als reclamezuil van een overheid die het eigen falen wil maskeren. Ook geen gering staaltje onwaarachtigheid.

Zulke verschijnselen doen zich tot in de hoogste kringen voor. Dit voorjaar permitteerde Mark Rutte, op het afscheid van VVD-spindoctor Henri Kruithof, zich een inzichtelijke confidentie. Hij herinnerde eraan dat hij Kruithof ooit, tijdens een verkiezingscampagne, aanspoorde in Nieuwspoort het bericht te verspreiden dat de VVD-top verdeeld was over een gewaagd campagnefilmpje. Die verdeeldheid bestond niet – het filmpje trok amper bekijks. Maar het effect van Kruithofs ‘nieuwtje’ bleef niet uit: de aandacht voor het filmpje nam zienderogen toe, stelde de premier glimlachend vast.

Intussen is al dit ‘mediamanagement’ een virus geworden. In een reportage over een Zoetermeers probleemgezin, vorige week in deze krant, stond hoe de burgemeester reageerde toen in dat gezin een zoon overleed. Hij zei niet: hoe kunnen we dit voorkomen? Nee, zijn eerste reactie was: als de media hier maar niet achterkomen. De burgemeester, Charlie Aptroot, was jarenlang VVD-Kamerlid.

Dus ik vond het prima deze week, het accent op de zwakke informatie aan de Kamer in dat debat met Van der Steur. Maar zelf geloof ik dat er een groter probleem ontstaan is: onwaarachtige overheidsinformatie, via media, voor de burger.

Nu merkte ik deze week dat dit thema, met een andere intensiteit, ook binnen de bureaucratie speelt. Sterker: komende dinsdagmiddag vergaderen de Directeuren Communicatie van alle ministeries op Algemene Zaken over een advies inzake de toekomst van hun directies.

Dat zit zo. Nu de kabinetsperiode over de helft is laten diverse bewindslieden binnenskamers merken dat zij op hun ministerie behoefte hebben aan meer politieke en minder algemene voorlichting. Directies Communicatie houden zich met beide bezig. Zij verbinden korte termijnbelang – woordvoering voor de minister – met algemeen belang: beleidsvoorlichting en –advies, die onpolitiek moeten zijn.

En op Binnenlandse Zaken deed zich deze zomer iets bijzonders voor: secretaris-generaal Richard van Zwol liet Communicatie opgaan in een grotere Directie (‘Concernondersteuning’). Gevolg is dat dit ministerie geen Directeur Communicatie meer heeft. En dat woordvoerders straks primair het politieke belang van hun ministers dienen, niet het algemeen belang van het departement.

Het bracht een schokgolfje op andere ministeries teweeg: zullen meer Directies Communicatie sneuvelen? Vooral topambtenaren vrezen voor een reprise van Balkenende IV (2007-2010). De val van dit kabinet werd toegeschreven aan de ‘bontkraag’ van politiek assistenten en persoonlijk woordvoerders, die met hun politieke voorlichting spanningen tussen bewindslieden stimuleerden en de samenhang in het kabinet ondermijnden.

En komende dinsdag bespreken de communicatiedirecteuren een door RVD-directeur-generaal Stephan Schrover uitgezet advies waarin drie deskundigen, geleid door oud-CDA-Kamerlid Jan Schinkelshoek, tegen de dreigende politisering van de woordvoering pleiten. Tegen het model van Binnenlandse Zaken, en tegen de wensen van veel bewindslieden.

Grappig genoeg kan ook Van der Steur, als hij wil, vrij exact achterhalen wat de nadelen van gepolitiseerde woordvoering zijn. Gevraagd naar personele maatregelen op zijn ministerie verwees hij deze week naar de commissie-Oosting, die de zogenoemde Teeven-deal onderzoekt. De betaling van 4,7 miljoen euro aan crimineel Cees H., waarover Opstelten en Teeven dit voorjaar struikelden. Oosting rapporteert in december.

Van der Steur sprak de verwachting uit dat dit ‘onafhankelijke’ onderzoek tot ‘stevige conclusies’ leidt. Wonderlijk genoeg reageerde geen Kamerlid hierop, hoewel de minister als opdrachtgever terughoudendheid past: zo ontstaat de indruk dat hij behoefte aan stevige conclusies heeft.

Maar wat meer is: dat onderzoek richt zich, op aandringen van Van der Steurs eigen VVD, óók op de bronnen die Nieuwsuur dit voorjaar informeerden over de details van de deal met H. Berichtgeving die stond als een huis.

Terwijl omgekeerd het persbericht van het ministerie, in reactie op Nieuwsuur, grote stelligheid („‘bewering’ Nieuwsuur onjuist”) combineerde met incorrectheid en een volledig gebrek aan argumenten. Precies wat er gebeurt als voorlichting het politieke belang boven het algemeen overheidsbelang plaatst.

En toevallig heb ik de laatste maanden redelijk kunnen reconstrueren hoe dit onjuiste persbericht tot stand kwam. Een genuanceerd verhaal, je kunt niet zeggen dat er één schuldige is.

Maar ook een leerzaam verhaal – omdat de politieke leiding van het ministerie het onbeargumenteerde bericht kende; omdat de top er zelfs over vergaderde; omdat op een laat moment een bedrag uit het concept verdween; en omdat Van der Steur en staatssecretaris Klaas Dijkhoff, destijds allebei VVD-Kamerlid, toen al op het ministerie te vinden waren.

Niettemin kreeg de commissie-Oosting, van dezelfde Van der Steur, niet de opdracht de bronnen van dit onjuiste departementale persbericht te onderzoeken. En wel de bronnen van de correcte Nieuwsuur-scoop. Inderdaad: een uitvergrote variant van dat mediamanagement. Onderzoeksmanagement.

Dus als in december inderdaad blijkt dat de commissie-Oosting de totstandkoming van dit onjuiste persbericht slechts summier heeft onderzocht, en de bronnen van Nieuwsuur heel uitvoerig, dan weten we alsnog hoe de vlag erbij hangt.

Dan is de ware belangstelling van de minister voor de interne informatievoorziening op zijn ministerie misschien toch wat minder dan hij het deze week deed voorkomen.

Mogelijk kan de Kamer er dan zelf eens induiken. Natuurlijk is onjuiste informatievoorziening aan de Kamer ongewenst. Maar ik vrees dat al het ‘mediamanagement’, als thema, minstens zo gevaarlijk is.