‘Mijn stijl is positief naïef’

Grafisch ontwerper Sanny Winters vangt België in een alfabet. De C is van Congo, de S van Stromae. Deel 4 in een serie gesprekken met spraakmakende ontwerpers.

Sanny Winters op de door haar ontworpen kubussen

Met uw man Tim Oeyen heeft u een grafisch ontwerpbureau. Hoe is de taakverdeling?

„Die is er niet; we zijn elkaars klankbord. Onze praktijk is heel breed, van boekverzorging tot de huisstijl van restaurants. Het denkproces begint meestal in het café. Met een schetsboekje maken we daar de eerste plannen. De ene keer werkt Tim ze uit, de andere keer doe ik dat.”

Vijf jaar geleden kwam u met een eigen project: A City, een prentenboek over Antwerpen. Voor de prenten gebruikte u de letter A steeds als uitgangspunt. Zo werd de A een modemeisje, een diamant en een schip. Waarom die beperking?

„Ik ben altijd gek geweest van letters, als kind al. Het alfabet als uitgangspunt, of zoals bij het Antwerpen-boek één letter, geeft richting, dwingt mij naar de essentie te zoeken. Om dezelfde reden schets ik ook alleen in zwart; kleur voeg ik altijd pas op het laatst toe. Zo wordt het ontwerpen een ontdekkingstocht, waarbij ik de vormentaal geleidelijk tot de kern terugbreng. Ja, het eindresultaat kan er heel eenvoudig uitzien. Maar vergis je niet: ik heb vaak veel moeten doen om zover te geraken.”

En waarom een boek over Antwerpen?

„Ik ben geboren in Borgerhout en woon er nog steeds. In dit district van Groot-Antwerpen wonen meer dan honderd nationaliteiten vredig samen. Maar door extreem rechts kwam Antwerpen destijds vaak negatief in het nieuws. Daar wilde ik iets positiefs tegenover stellen.”

Vorig jaar verscheen ‘Belgium Xtra Bold’ een ambitieuzer boek: een portret van België in honderd prenten. Nu met alle letters van het alfabet als vertrekpunt: de C is voor Congo, de J voor Jacques Brel en de S voor Stromae. Een lastige klus?

„Zeker. Het is lastig om de onderwerpen te selecteren. België is een ernstig verdeeld land met grote contrasten en tegenstellingen, en weinig structuur. Veel Vlamingen rijden met een VL-sticker op hun auto rond en geven de Walen van alle problemen de schuld – en omgekeerd, natuurlijk.

„Ik voel me geen Vlaming maar Belg. We moeten niet tegenover elkaar staan, dit land is al zo klein. Soms ben ik jaloers op Nederland, zo eendrachtig als jullie zijn.”

Hoe selecteerde u uw onderwerpen?

„Ik heb een panel van experts samengesteld: met Vlamingen, Walen en Brusselaars. Samen hebben we de onderwerpen gekozen. En niet alleen vrolijke onderwerpen; over de grens is België helaas ook bekend door kindermisbruik en politieke schandalen, zoals de dioxine in veevoer. Die feiten dragen we met ons mee. Het zou een beetje liegen zijn om die onderwerpen te mijden.”

Hoe zou u uw ontwerpstijl omschrijven?

„Als helder en puur. En ook als: kleurrijk en blij – positief naïef. Met helder grafisch beeld probeer ik de aandacht te vangen. Tegelijkertijd streef ik naar een tweede laag die een beetje dieper gaat en ruimte biedt voor kritiek, voor schaamte of juist trots. Kijk, voor mijn Antwerpen-boek heb ik van twee letters A een chassidische jood en een moslima gemaakt. Staan ze in mijn tekening niet vrolijk naast elkaar?

„Het geheim van een geslaagd ontwerp? Dat het communiceert!”

Wie zijn uw voorbeelden?

„Paul Rand, de Amerikaanse grafisch ontwerper. En jullie Dick Bruna. En dan niet zozeer Nijntje, maar eerder zijn boekomslagen uit de jaren vijftig en zestig. Die zijn van een tijdloze schoonheid.”

Hoe zag uw ouderlijk huis eruit?

„Met mijn ouders en zuster woonden we in een appartement in Antwerpen. Het was heel huiselijk: een mix van eiken erfstukken en Zweedse meubels van Habitat. Mijn vader was architect. Vreemd genoeg was hij niet zo bezig met ons interieur. Hij gaf meer om Felix Timmermans, de Vlaamse schrijver en schilder. Van hem verzamelde hij eerste drukken en ook schilderijtjes.

„Door mijn vaders werk realiseerde ik me al jong dat alles ontworpen is. Als twaalfjarige wilde ik al ontwerper worden: binnenhuisarchitect, of iets in de mode of met magazines.”

Noemt u zichzelf ontwerper of kunstenaar?

„Ontwerper. Of je kunstenaar bent, dat moeten anderen zeggen. Dat is een eretitel. Oók voor schilders en beeldhouwers.”

Een gedroomde opdracht?

„Een prentenboek over religie. Er is niet zoveel beeldtaal over godsdiensten. Ik zou de verschillende religies graag naast elkaar zetten en duidelijk maken dat het niet nodig is om je beter te voelen dan een ander. Godsdiensten moeten verenigen, en niet verdelen.

„Ook zou ik graag eens samenwerken met een architect. Een grafische ingreep willen doen bij een gebouw of een plein. Of me bezighouden met bewegwijzering. Als ik in Nederland ben, zie ik dat bewegwijzering niet per se lelijk hoeft te zijn.”

Wat doet u over vijf jaar?

„Ik zou alleen bezig willen zijn met het maken van boeken. Dat kan ik me nu nog niet permitteren. En dan niet alleen boeken over steden of landen, maar ook bijvoorbeeld kinderboeken. Hoewel een prentenboek over Nederland best leuk zou zijn. Ik denk trouwens dat mijn werk door zijn eenvoud meer aansluit bij de Nederlandse dan bij de Belgische vormgeving. Design in België stoelt vaak op surrealisme.

„En nóg een verschil: wij Belgen zijn minder fier op ons design. Hollanders stoefen meer. En met opscheppen en brutaal zijn geraak je verder. Kijk maar naar de nieuwe grote gebouwen hier. Die zijn meestal door architecten van buitenaf ontworpen.”