Mee for a ride

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een publicatie uit Maan en zon, de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Stefan Brijs.

Waar zal ik beginnen? Bij wie? Bij Max, wiens vliegtuig op ditzelfde moment vanaf Hato opstijgt en die over enkele ogenblikken op de grond onder hem de rode en blauwe tralies van neonlicht zal zien waarachter de meisjes van Campo Alegre gevangenzitten?

Of bij zijn vader Roy, die om dit uur al naar bed is gebracht en naar het portret van zijn vrouw Myrna zit te staren in het straatlicht dat door de halfgesloten shutters zijn kleine kamer in schijnt?

‘Ze was een goede vrouw, broeder, and ooooh so pretty.’

Of bij Sonny, de zoon van Max, die nu ongetwijfeld van zijn horloge opkijkt en zijn blik naar boven richt, zoekend naar een knipperlicht dat zich weldra tussen de sterren noordoostwaarts zal bewegen?

Nee, laat ik beginnen bij een lied, een oud Antilliaans kinderlied, gezongen, gestameld, gebrabbeld door een groep bejaarden, vanochtend in de grote zaal van Huize Welgelegen, waar Max afscheid ging nemen van zijn vader.

‘Naar Nederland, pai. Onderdelen voor de Dodge halen.’

‘Welke onderdelen?’ vroeg Roy. Zijn luide stem wekte in de zaal meer aandacht dan het gezang van de verpleegster die het lied had ingezet. Max daarentegen had alleen nog oor gehad voor de Papiamentse klanken.

‘Luna ku solo laga mi pasá kon todo mi yu ku Dios a duna mi.’

Ik zag hoe hij verstarde bij het horen van die woorden: Maan en zon laat me door met al de kinderen die God me gegeven heeft.

‘Welke onderdelen, Max?’ herhaalde Roy zijn vraag.

Max richtte zich weer tot zijn vader en zei: ‘Deurkrukken van de achterste portieren, voorbumper en buitenspiegel.’

‘In goede staat?’

‘In uitstekende staat, pai! Ik heb foto’s gezien. Geen spatje roest. En in het chroom kun je je haren kammen.’

‘En je das recht hangen, Max. Never forget you’ tie.’

Max droeg al een eeuwigheid geen das meer. ‘Doe ik, pai.’

Roy vond het een goed idee. Hij begreep zijn zoon als geen ander. Alles voor de Dodge. En dat Max daarvoor helemaal naar Nederland zou vliegen, riep geen vragen bij hem op. In zijn oude hoofd lag het koninkrijk vast niet veel verder dan Aruba, waar hij een deel van zijn leven had doorgebracht en tijdens de Tweede Wereldoorlog het Amerikaans-Engels had opgepikt waarmee hij zijn zinnen kruidde.

Lucia, de vrouw van Max, had zich vreselijk opgewonden toen hij haar op de hoogte bracht van zijn plannen.

‘Naar Nederland? Voor oud ijzer? Ben je wel goed bij je hoofd? Laat die rotzooi per post komen!’

‘De douane steelt alles, Lucia, het zijn gangsters.’

‘En wie gaat dat betalen?’

‘Ik heb gespaard.’

‘Je hebt gespaard voor Sonny! Voor zijn studie! Niet voor dat wrak!’

‘Dat wrak zorgt wel voor brood op de plank. Als ik hem niet opknap dan hebben we straks niets meer. Niets!’

‘En toch ga je niet naar Nederland. Mi morto akibou!’ Over mijn lijk!

‘Toen heb ik me omgedraaid en ben weggelopen. Met veel pijn in mijn hart.’ Dat vertelde Max aan mij. Hij legde zijn grote hand op zijn borst. ‘Ik hou van haar. Zij is mijn alles. Zij en Sonny. Luna ku solo. Wil je dat tegen haar zeggen zodra ik weg ben? Dat zij de maan is die mijn donkere nachten verlicht.’

De gevoelige ziel van Max. Innerlijk kan hij niet méér verschillen van zijn vader. Zijn krachtige fysieke verschijning heeft hij wel van hem geërfd. Het lichaam van Roy raakte echter al vroeg door reuma verteerd. Zijn vingers, zijn tenen, zijn handen en voeten, rug en nek, alles aan hem is mettertijd kromgetrokken, zijn staalkabels van spieren zijn vezel per vezel geknapt, de gewrichten vergroeid tot knobbels die zijn huid zo oprekken dat die er bleek van is geworden.

‘Als je terug bent uit Nederland, neem je me mee for a ride,’ zei Roy tegen Max net voor het afscheid.

Dat doen ze wel vaker. Dan rijden ze het halve eiland over. Een paar keer ben ik mee geweest, zittend op de achterbank, waarvan het leer verhard en verbrokkeld is en de veren zelfs het kraken hebben opgegeven. Het is een belevenis om de oude Roy in de oude Dodge Matador te zien zitten, het raampje omlaag, de hoekige elleboog van zijn rechterarm naar buiten wijzend — een zijspoiler van vel over been —, zijn vogelklauw die op het koetswerk rust, zijn strak naar voren gerichte blik en de wind die over zijn zilveren kroeshaar strijkt zodra de slee snelheid maakt en voor de zoveelste keer de kronkels van Roys geheugen volgt.

‘Hier links, Max.’

‘Mag niet meer, pai.’

‘Doen, doen.’ Roy, kraaiend als een kind, en Max die vervolgens een eenrichtingsstraat in rijdt, luid toeterend om eventuele tegenliggers te waarschuwen.

‘En nu naar de haven, Max!’

De haven was een van Roys vroegere standplaatsen. Wanneer de tankers binnenvoeren met aan boord de Venezolaanse olie voor de Shell-raffinaderij, wachtte Roy de bemanning op om hen naar Campo Alegre te brengen, het hoerenkwartier vlak bij het vliegveld.

‘Hun broek al op hun knieën nog voor ze goed en wel waren uitgestapt,’ vertelde Roy graag. ‘En met sommige hoeren had ik een deal, you know. Vraag naar Henna of naar Chica, zei ik, en zeg dat Roy je gestuurd heeft. They do all? vroegen ze dan. All the things you cannot do at home, my brother.

En dan werden ze gul, nog meer als ik hen later terugbracht en bleek dat ik niet gelogen had. Thanks, man, here, keep the change. Toen viel er nog wat te verdienen. Harde Amerikaanse dollars. The real stuff.’

Van al die dollars had Roy er twee bewaard, twee oude muntstukken van één dollar, waarvan de afbeeldingen aan weerszijden grotendeels waren afgesleten door het goocheltrucje dat hij misschien wel duizend keer had laten zien.

‘Kijk, hoeveel muntstukken telt u? Twee toch, zie je? Let goed op nu. Goed kijken.’

Hierna drukte hij beide muntstukken tegen elkaar tussen de muis van zijn beide handen en liet ze in korte, snelle wrijfbewegingen over elkaar schuiven, waardoor het leek of het drie muntstukken waren.

Brua!’ riep hij dan luid. Toverij!

Achtentachtig is hij inmiddels. Geen dokter had gedacht dat hij zo oud zou worden. Hij was nog maar in de vijftig toen zijn ziekte zich manifesteerde en op een dag zouden ook zijn longspieren worden aangetast, waardoor hij langzaam maar zeker zou stikken. Dat hadden echter alleen Myrna en ik geweten. Hemzelf was het nooit meegedeeld.

Maar wat we vreesden, is niet gebeurd. Zijn adem liet hem geen ogenblik in de steek. En nu was de negentig in zicht.

‘Dan dansen we de rumba, you and me, honey,’ zei hij tegen elke verpleegster die hem op die naderende leeftijd wees. Zijn rug en benen mochten dan wel zo krom zijn als een dividiviboom, zijn mannelijke trots was allerminst aangetast. Zo probeerde hij zich vanmiddag nog uit Max’ armen los te wringen toen die hem bij het afscheid wilde omhelzen en toen dat niet lukte, riep hij luid opdat de hele zaal het kon horen: ‘Stel je niet aan, zoon, je bent toch geen mariku.’ Geen homo.

Max drong niet verder aan. Hij liet zijn vader los en wenkte me. Of we konden gaan?