Column

Feest! We staan weer in de top-5!

Joehoe, groot nieuws. We staan weer in de top-5 van meest concurrerende economieën ter wereld! Het kabinet wijdde er een heus persbericht aan. Henk Kamp, VVD-minister van Economische Zaken zei dat „er veel is om trots op te zijn in Nederland. Ondernemers, kennisinstellingen en overheden hebben samen gebouwd aan deze ijzersterke uitgangspositie”. Succes delen, heerlijk.

Hoe anders was de stemming twee jaar geleden. Toen viel Nederland uit de top-5 terug naar plek 8, – nét nadat Mark Rutte in zijn beschimpte H.J. Schoo-lezing nog trots had gewezen op onze prachtige vijfde plaats. Overal klonk kommer, kwel en ellende. Wat was er met Nederland aan de hand? Drie plaatsen gezakt! We kelderen uit de top-5!

De boosdoener was snel gevonden: kabinetsbeleid. Ja, zei de hoogleraar die helpt bij het opstellen van de ranglijst, het innovatiebeleid was bijvoorbeeld slecht (faalde zelfs), vooral het topsectorenbeleid.

Twee jaar later zijn we terug, – with a vengeance; de snelste stijger in de top-10. Alle, zo bewierookte, Scandinavische landen achter ons latend. Nu is het Finland dat keldert, van plek 4 naar plek 8. Daar gaan ze nu vast door eenzelfde drama als wij twee jaar geleden.

Hoe we nu weer op plek 5 komen? Je raadt het al: ons innovatiebeleid, vooral „de standvastigheid van dit kabinet in het topsectorenbeleid”, zegt dezelfde hoogleraar die de lijst helpt op te stellen. Tja. Wat moeten we daar nu mee?

Ik zou zeggen: negeren. De lijst bestaat uit 140 landen: alles in de top-10 is geweldig en binnen die top-10 zijn verschillen veel te klein om grote conclusies aan te verbinden. In de top-10 wisselen de welvarendste landen ter wereld soms van positie, maar dat betekent zeer weinig. Waren we in 2012 met stip geland op 5 van plek 7, in 2013 en 2014 stonden we op 8, en nu dus weer op 5. Daar past noch groot feest bij, noch diepe somberheid. De ranglijst leunt naast meetbare indicatoren op een enquête onder leiders uit de zakenwereld. Hartstikke leuk, maar perceptie van hoe het met een land gaat, speelt dus een rol. Nog een reden om stijgers en dalers met een korrel zout te nemen.

En die korrel zout is ook van toepassing op de lof voor het topsectorenbeleid. De samenstellers van de concurrentieranglijst constateren namelijk als negatief punt dat het Nederlandse bedrijfsleven zelf weinig investeert in innovatie (onderzoek en ontwikkeling). De overheid doet het goed, het bedrijfsleven slecht. Dat kan echt beter, aldus de Rotterdam School of Management in een toelichting op de ranglijst van het World Economic Forum.

Zou het een met het ander te maken kunnen hebben? Zouden de investeringen van het bedrijfsleven in innovatie laag kunnen zijn, omdat de overheid de investeringen subsidieert (via lagere belastingen)? Er zijn al vele onderzoekers die dit hebben geopperd als verklaring voor de lage R&D-investeringen van het bedrijfsleven. Je maakt rijke bedrijven rijker, je stimuleert er geen extra investeringen mee. Bedankt, belastingbetalers, gratis geld voor niks. Dat soort innovatiebeleid lijkt me dus geen aanbeveling, top-5 of niet.

De conclusie die je wél kunt trekken uit alle vormen van ranking the economic stars is deze: in het Westen is het veel fijner dan in veel andere landen van de wereld. De rest is blabla.

Voor nu en de komende jaren adviseer ik je dan ook dit te onthouden: Nederland is één van de meest innovatieve, concurrerende, welvarende, gelukkigste en rijkste landen ter wereld. Of we nou op nummer 5, 7 of 10 staan, – dat blijft gelden. Pas als we uit de top-20 vallen, spreek ik u hierover weer.