Column

Jehovah’s

Sinds de vriendin en ik per ongeluk in Betondorp waren geland kregen we met enige regelmaat bezoek van Jehovah’s getuigen. De kennis over Jehovah’s Getuigen had ik vooral opgedaan uit kranten en tijdschriften. Ook herinnerde ik me de prima ‘Telefilm’ – geweldige naam voor een voor de publieke omroep vervaardigde film – Uitgesloten (2001) van Mijke de Jong, waarin Egbert Jan Weeber de Jehovah’s Getuige met een voorliefde voor skamuziek speelde die verliefd werd op ‘kraakster’ Nadja Hüpscher wat natuurlijk niet goed afliep, de film heette niet voor niets Uitgesloten.

Wat was blijven hangen was dat Jehovah’s Getuigen sober leefden. Ze deden het zonder televisies, computers en mobiele telefoons en bestookten elkaar en de wereld met Bijbelteksten. Verder voelden zij zich ver verheven boven ons, wereldse mensen. De conclusie die ik trok was dat je maar beter heel erg duidelijk tegen ze kon zijn als ze onverhoopt in je leven opdoken.

„Geen interesse” zeggen, de deur dicht duwen en goed opletten of ze er geen voet tussen zetten. Dat was buiten de werkelijkheid gerekend. De Jehovah’s die onze buurt penetreerden – een koppeltje mannen en een koppeltje vrouwen, die we al snel ‘de vrouwtjes’ en ‘de mannetjes’ noemden – bleken van het blije soort dat van geen opgeven wilde weten en dat niet teleurgesteld te krijgen was.

„Mogen we onze blijheid met u delen?”

„Geen interesse.”

„Mogen we onze blijheid dan door de brievenbus gooien?”

Waarna ze er een week later weer stonden om te vragen of we het stukje blijheid ook hadden doorgelezen.

Die vastberadenheid, het had iets ontroerends.

De praatjes duurden steeds langer, altijd vergezeld van de opmerking dat er geen enkele interesse in de blijde boodschap bestond, want je kon maar beter duidelijk zijn.

Ja, ze waren ’s morgens al vroeg begonnen, en ze gingen door tot het schemerde. En eentje had er last van de voeten, daarvoor had hij speciale zolen. Mocht hij toch een folder achterlaten, ook al gooide ik hem dan direct bij het oud papier?

Ja hoor, tot de volgende keer.

Woensdag stonden ‘de vrouwtjes’ er weer.

„Mag ik wat vragen?” opende de oudste van de twee, en nog voor ik ‘geen interesse’ kon zeggen vroeg ze of ze naar het toilet mocht. Toen ze er op zat wist ik opeens zeker dat we daar problemen mee zouden krijgen. Die zat straks natuurlijk met al haar blijheid aan de keukentafel.

Niets van dat alles.

Na het plassen daalde ze vriendelijk bedankend de trap af.

Daag, tot de volgende keer.

Ze had wel een folder achtergelaten, dat wel.