Lichtcirkels om ‘zachtstralend hemellichaam’

De maanscorona is volstrekt niet zeldzaam. Toch is hij altijd weer prachtig. Wikipedia

De superbloedmaan gemist? Niet erg, hij was niet bijzonder. Niet bijzonder omdat maansverduisteringen sowieso niet bijzonder zijn, niet bijzonder omdat de maan niet bijzonder groot was en niet bijzonder omdat-ie niet bloedrood was. Hij was niet roder dan een rooie kater en rooier wordt-ie waarschijnlijk ook nooit, tenzij er net een Tambora, een Krakatau of een Pinatubo is uitgebarsten.

Ja, ook de negentiende-eeuwse Franse astronoom Camille Flammarion noemde de verduisterde maan ‘rood’ in zijn klassieke De wonderen des hemels, maar in de eerlijke illustraties bij zijn beschrijving valt weinig rood te bekennen. Je zou het eerder bruin of bruinig noemen. Koperkleurig? Maar wat voor koper dan?

Hier en daar op aarde stond de superbloedmaan op het moment suprême natuurlijk heel laag aan de horizon, misschien wel de horizon van een vieze stad, en dan werd-ie vanzelf rood, zoals ook de zonsondergangen boven die stad vermoedelijk rood zijn. Dat was dan een gelukje voor de lokale superbloedmaanfotograaf. Een superbloedmaan kan langs twee wegen kleur oplopen.

Werd de term ‘superbloedmaan’ dit jaar voor het eerst gebruikt? Daar lijkt het op. Het woord ‘supermaan’ gaat hier in Holland ook al niet verder terug dan tot 2012, het schijnt uit Amerikaans-astrologische hoek te komen. Dan gaat het snel op internet. De afgelopen millennia had nooit iemand behoefte aan een speciaal woord voor de dagen waarop de volle maan wat groter is dan gemiddeld omdat ie dan, dankzij de ellipsvorm van de maanbaan, dichterbij de aarde staat dan anders.

Het scheelt op zijn best maar 7 procent. Niemand ziet zo’n klein verschil, tenzij er, zoals bij zonsverduisteringen, net een volmaakt vergelijkingsobject in de buurt is. Neem de proef op de som: knip maantjes van 7,0 en van 7,5 cm diameter uit papier, laat iemand ze met enige tussenpozen op 8 meter afstand at random omhoog steken en probeer te raden of het de kleine of de grote maan is. Dat lukt niet. Het verschil tussen de kleinst mogelijke en de grootst mogelijke maan is 14 procent. Dat zou je nét zien als ze kort na elkaar aan de hemel verschenen.

Waar je het Twittervolkje nooit over hoort is het verschil in grootte tussen de maan die heel hoog aan de hemel staat en de maan die nog maar net boven de horizon uit komt. Die laatste ziet er altijd groter uit dan de maan bij het zenit. In de achttiende eeuw dacht men dat de lage maan wel tien keer zo groot kon zijn. Later is dat afgezwakt en kwamen de schattingen uit op 2 à 3 keer zo groot. Christiaan Huygens dacht: bijna twee keer zo groot en te hulp geroepen psychologiestudenten zeiden nog onlangs: 1,5 à 2 keer. In werkelijkheid zijn de lage en hoge maan precies even groot. Het verschil is een illusie, de ‘moon illusion’.

Het vreemdst aan de superbloedmaan van maandag was het verlichte sikkeltje dat vlak voor en vlak na de totale verduistering te zien was. Het was niet scherp begrensd en vooral: anders van vorm dan de sikkeltjes die we voor en na nieuwe maan zien. Daardoor ontbrak de suggestie van bolheid, de maan leek raar plat. Verrassend was ook de vaart waarmee hij de aardschaduw in gleed. Wie daar opeens het Verstrijken van de Tijd in zag kon er zomaar een onaangenaam gevoel bij krijgen. Het grote aantal katten dat ’s ochtends om vier uur aan de wandel blijkt maakte veel goed.

De bijgaande illustratie, die van Wikipedia komt, laat het soort oranje zien dat in een verduisterde maan voorkomt. Maar overigens toont hij een heel ander verschijnsel: de buiging van onverduisterd maanlicht langs de waterdruppeltjes van gewone wolken. De maan zit in een hof, zei men in Vlaanderen als de maan er zo bij stond. De Vlaamse astronoom Marcel Minnaert beschreef het in zijn standaardwerk nog mooier dan Camille Flammarion het had kunnen doen. ‘Bontgekleurde lichtcirkels om het zachtstralend hemellichaam’, enzovoort. Minnaert noemde het fenomeen een ‘aureool’ maar na een herdefinitie is de term ‘corona’ geaccepteerd geraakt. De maanscorona moet niet worden verward met de halo’s die door ijskristallen van heel hoge wolken worden opgewekt. De corona verschijnt in gewone wolken en is dus volstrekt niet zeldzaam. Toch is hij altijd weer prachtig.

De corona ontstaat, zoals gezegd, door buiging van licht langs waterdruppeltjes. Buiging as such wordt verklaard door de golftheorie van het licht die Huygens opstelde. Buigingsverschijnselen zijn het makkelijkst op te wekken, en ook te begrijpen, als licht door heel kleine gaatjes of spleten kan vallen. De Fransman Jacques Babinet bedacht twee eeuwen geleden dat buiging om ondoorzichtige bolletjes dezelfde verschijnselen opwekt als de buiging van licht door ronde gaatjes van dezelfde diameter. Zo kwam Minnaert ertoe zijn lezers op te roepen zelf eens een buigingsproefje te doen. Het is de simpelheid zelve.

Neem een groot stuk karton en maak er een gat in ter grootte van een dubbeltje. Plak er aluminiumfolie over en steek daarin met een naald een minuscuul gaatje, liefst kleiner dan een halve mm diameter. Doe hetzelfde met een klein stukje karton. Weer alufolie met een minuscuul gaatje, zo klein mogelijk. Hang, als de zon schijnt, het grote stuk karton voor het raam, hou het andere stukje voor het oog en kijk vanaf één meter door het ene gaatje en dat andere gaatje naar de zon. Er ontstaat een kleurenpracht waaraan de superbloedmaan nog een puntje kan zuigen.