Ik vond alles fijn aan hem, behalve zijn ziekte

De weduwe van dichter en schrijver Rogi Wieg vertelt over de liefde en de zorg die aan zijn dood vooraf gingen. „Als je van iemand houdt is het puur egoïsme om hem vast te willen houden terwijl hij zo lijdt.”

Abys Kovacs-Wieg bij het halfopen raam op de plek waar ze voor Wiegs dood nog vaak samen zaten: „Als ik van huis was belde hij me wel veertig keer per dag” Foto’s Frank Ruiter

Ze leeft van de ene dag in de andere. Het grootste deel van de dag zit Abys Kovacs-Wieg (39) hier voor het halfopen raam van haar Amsterdamse huis naar muziek te luisteren. En te roken. Dat vooral; tijdens onze gesprekken roetsjen de sigaretten bijna pakjesgewijs door haar slanke vingers. Het kussen waar ze op zit ligt exact op de plaats waar haar man Rogi Wieg nog maar twee maanden geleden lag opgebaard. Ze had zich voorbereid op een peilloos diep dal na zijn dood. Maar het kan blijkbaar altijd nog dieper. Kort nadat Rogi overleed, ging ook haar vader dood. En amper terug van die begrafenis maakte Joost Zwagerman, jarenlang de beste vriend van Wieg, een eind aan zijn leven. „Soms lijkt het wel alsof ik in een David Lynch-film ben beland.” Slapen doet ze al maanden nauwelijks meer, en eten ook al bijna niet. De gevulde rode paprika’s met tomatensaus – „Rogi’s lievelingsgerecht” – heeft ze louter bereid voor de interviewer. „Ik kan bijna geen eten meer verdragen.”

Rogi Wieg en Abys Kovacs ontmoetten elkaar in 1996 in Boedapest. Zij was twintig, en studeerde Neerlandistiek in Hongarije. Hij was vierendertig en nam deel aan een literaire manifestatie, waar ook collega’s als Joost Zwagerman, Leon de Winter en Anna Enquist hun opwachting maakten. Ze waren direct verliefd, maar het verschil in leeftijd vond Wieg een obstakel. En hij had bovendien andere geliefden. Wieg ging terug naar Nederland, ze besloten te schrijven en te bellen. Totdat die telefoontjes vanuit Amsterdam opeens uitbleven. Pas jaren later ontdekte Kovacs dat hij in haar afwezigheid een keer haar moeder aan de lijn had gekregen. „Ze moet gevoeld hebben dat er iets met Rogi was en had hem dringend verzocht of hij mij voortaan met rust wilde laten.”

Pas veertien jaar later, in 2010, kwamen ze weer met elkaar in contact. Kovacs moest voor een conferentie naar Nederland, en besloot Wieg te bellen. De vonk was er ogenblikkelijk weer. Nu spraken ze af dat ze elkaar niet meer los zouden laten. Ze wist bij het weerzien wel dat Wieg depressief was, al was dat voor haar aanvankelijk niet eens zo merkbaar. „In het begin overheerste vooral de blijdschap.” Al had Wieg ook in die tijd al last van sterke dwangneigingen. Hij kreeg woedeaanvallen als ze een boek niet netjes genoeg terugzette in de kast. En ze schrok van de venijnige telefoongesprekken die Wieg met zijn moeder voerde. De boosheid op zijn moeder zette zich vervolgens naadloos om in woede op haar. En soms viel er dan ook een klap. In die tijd was ze af en toe echt bang voor hem. „Ik dacht: waar ben ik in beland? Ik had mijn familie achtergelaten in Hongarije, was hier moederziel alleen. Ik voelde me heel eenzaam.” Maar de liefde bleef altijd. „Ik zei op die nare momenten: „ik wéét dat dit niet de echte Rogi is. Die zou dit nooit doen.” Op heel veel andere momenten zag ik zijn zachte en lieve kanten. Dat heeft me altijd getroost.”

Een soort psychiater

Kovacs had in die tijd een baan. Ze werkte onder meer in de zorg, en later op de Hongaarse ambassade in Den Haag. Later kon ze dat werk niet meer combineren met de mantelzorg voor Wieg en werd ze zelf ziek. „Als ik van huis was belde hij me wel veertig keer per dag. Controleren of het wel goed met me ging. En als-ie me gebeld had, belde hij direct daarna weer om zeker te weten of hij het wel goed gezegd had. Ik was ook een hulpverlener voor hem, een soort psychiater. Ik probeerde hem voortdurend duidelijk te maken: ik zal je nooit in de steek laten. Als ik heb beloofd dat ik om vier uur thuis ben, dan bén ik om vier uur thuis. En als je me belt, dan zal ik altijd opnemen. Ook bij de veertigste keer.”

Hoe ze het vijf jaar volhield? „Gewoon… liéfde”, zegt ze, bijna verontwaardigd. „We hóórden bij elkaar. Ik kon goed met Rogi praten. Nachtenlang spraken we over kunst, over Einstein, over de kosmos. Hij noemde mij Kleine Punt, naar een punt in het heelal. En ik noemde hem Grote Punt. En hij was heel lief en zorgzaam. Een echte gentleman. Elke vrouw wil wel zo’n man. Ik vond alles fijn aan hem, behalve zijn ziekte.” Ze wilden in het begin zelfs kinderen. Zij was pas 34; het had nog makkelijk gekund. „Maar toen ik besefte hoe ziek hij was leek me dat niet verstandig. Mijn vader was ook depressief. Ik weet nog goed wat voor impact dat als kind op mij had. En hoe zou ik voor ons kindje kunnen zorgen als hij weer in een diepe depressie zat?”

„Rogi was aanhoudend suïcidaal. Ik moest ’m bijna elke nacht tegenhouden. Dan stond hij opeens op om een mes te pakken. Of hij kleedde zich ’s nachts aan om naar een hoog gebouw in de buurt te gaan. Dan hield ik hem stevig vast, met al mijn kracht. ‘Rogi, blijf hier. Dit is niet wat je wilt.’ Zijn leven was zo zwaar. Vooral door zijn angsten. Rogi was bang voor bijna alles; voor de telefoon, voor andere mensen. Hij was bang om dood te gaan, maar misschien nog wel banger om te leven.” Daarnaast kampte Wieg steeds meer met lichamelijke klachten; van hoge bloeddruk en een spastische darm tot suikerziekte en neuropathie. Door dat laatste kreeg hij last van gevoelloze plekken op z’n benen en van uitvalverschijnselen. De toekomst bood volgens hem geen enkel lichtpunt. „Hij werd alleen maar ouder en zieker. Terwijl ik zelf altijd hoop ben blijven houden. Ik geloofde wel in de toekomst, eigenlijk tot aan de laatste dag.”

„Op een dag in de zomer van vorig jaar zei hij: ‘Abys, ik ga dit niet meer redden. Ik ben al ruim dertig jaar psychiatrisch patiënt. Ik slik al die tijd al benzodiazepines (antidepressiva). Ik begin lichamelijk achteruit te gaan. Dit gaat me opvreten’. Ik heb nog gezegd: ‘hou vol, we hebben al zoveel meegemaakt’. Maar ondertussen wist ik: Rogi heeft altijd gelijk.”

Verschrikkelijk vond ze het. Maar ze was al wel wat gewend. „Zelfmoord was voor ons een normaal onderwerp. Ik ken echt alle methodes. Wat hem tegenhield was ik. Hij wilde mij dat niet aandoen. Dat zei hij ook: ‘Ik wil niet dat Kleine Punt me hier bij thuiskomst vindt, of dat ze me bij het spoor moet identificeren’.” Er zat maar één ding op, vond Wieg: euthanasie aanvragen. Alleen op die manier zou hij waardig uit het leven kunnen stappen.

Centrifuge

Zijn eigen psychiater voelde niets voor zo’n levenseinde-traject. Dus volgden er gesprekken met andere artsen. De SCEN-arts, de verplichte second-opinion-arts bij euthanasie, onderkende uiteindelijk de ernst van de situatie. Een definitieve datum werd er alleen nog niet geprikt. „De gedachte was ook: als Rogi weet dat het kan, zal hem dat rust geven. Dan hoeft hij niet meer bezig te zijn met zelfmoord. Misschien zou hij op die manier nog een tijd door kunnen leven. Dat heeft een periode echt gewerkt; de laatste maanden was hij niet meer suïcidaal. Hij wilde weer een beetje leven, omdat hij zeker wist dat hij dood kon gaan.”

Maar het lijden bleef, vierentwintig uur per dag. Slapen deed hij bijna niet meer. En hij kreeg ‘sensaties’. „Er draaide continu een centrifuge in zijn hoofd en in zijn lijf. We konden niet meer samen slapen, omdat hij geen enkele aanraking verdroeg. Zijn lijden was onbeschrijflijk. Alles, álles deed hem pijn.”

Ze begreep zijn doodswens. Al brak die haar hart. „Ik wilde niet dat hij dood zou gaan. Maar als je van iemand houdt is het puur egoïsme om hem vast te willen houden terwijl hij zo lijdt.” Kort voor zijn dood zijn ze nog getrouwd. Thuis, met zes getuigen erbij. Ze hebben nog samen gezongen, All of me van Billie Holiday. Hij op z’n keyboard, en zij zingend naast hem. Al met al een heel mooie dag, in de schaduw van de dood.

Op 28 juni dicteerde Wieg een allerlaatste mail aan zijn vrienden om hun het naderende einde aan te zeggen.

„Wat er gaat gebeuren spreekt voor zichzelf. Al blijft dat een onvoorstelbaar moeilijke stap. (…) Ik heb voor veel dingen talent, maar voor doodgaan ben ik niet in de wieg gelegd. Kortom: ik heb geen talent om te sterven en toch zal het gaan gebeuren. Het moet. Ik ben geen uitzondering op de mensheid, maar de omstandigheden zijn wel zeer zwaar, als ik zo eerlijk mag zijn. Ik was liever gewoon weggegleden in een natuurlijke dood. Van Abys krijgen jullie dus te horen wanneer ik ben overleden. Tot dat moment zoeken wij samen de rust.”

De meeste mensen hielden zich aan dat laatste verzoek, op een enkeling na. Joost Zwagerman was één van hen. Hij bleef maar bellen en sms-en, tot het einde aan toe. „Hij wilde per se niet dat Rogi doodging. Rogi zei: ‘Euthanasie is een zelfgekozen dood op een humane manier’. Daar kon Joost zich niet bij neerleggen. Ik heb hem dat aan de telefoon proberen uit te leggen. Maar anderhalf uur later stond hij hier toch weer voor de deur. Rogi vond het verschrikkelijk. Hij was zó boos op Joost. Ook Leon de Winter en Jessica Durlacher begonnen contact te zoeken. Ze vonden dat Rogi het niet mocht doen. Terwijl ze jarenlang niet in ons leven waren geweest. Ze hadden voordien alle gelegenheid gehad om Rogi iets te laten weten. Een half uur voor zijn dood stonden ze hier opeens voor de deur, samen met de zus van Rogi. We hoorden ze beneden roepen. Rogi heeft alles gehoord; zijn bed stond voor het halfopen raam. Het heeft zijn sterven onnodig moeilijk gemaakt. Ze belden niet alleen hier aan, maar ook bij de buren. De buurvrouw ging er gewoon van huilen. Uiteindelijk is de politie gekomen om het rustig te houden totdat Rogi dood was.”

Liefdesbrief

Toch was die laatste dag bijzonder. Ze maakten de nacht voor de euthanasie nog samen een wandelingetje. „En Rogi heeft in de laatste uren voor zijn dood nog iets voor me geschreven. Het is de mooiste liefdesbrief die ik ooit heb gelezen. Een samenvatting van al onze gesprekken; dat Grote Punt en Kleine Punt in de kosmos voor altijd met elkaar verbonden zouden blijven. Terwijl hij mijn arm vasthield is hij rustig in slaap gevallen. Met in zijn hand een steentje met een Hongaarse tekst, een zakje met lavendel en onze trouwring.

„Met Joost heb ik nadien een intensieve mailwisseling gehad. Hij maakte zijn excuses voor zijn gedrag in die laatste weken. Hij schreef: ‘Ik had jullie nooit mogen storen’. Ik bood aan om een keer samen met hem naar Rogi’s graf te gaan. Dat ontroerde hem. Toen zag ik weer de lieve Joost, van wie Rogi zoveel hield. Zacht en zorgzaam, want dat was hij óók. Daar ben ik nu zo blij om. Ik kan goed en liefdevol aan Joost terugdenken. Dat is iets om heel dankbaar voor te zijn. Ik snap nu pas dat de woorden die hij tegen Rogi riep in feite aan hemzelf gericht waren. Misschien riep hij in zijn wanhoop eigenlijk: ‘lieve vriend, laat me hier niet alleen achter’.”

Maar de reactie in de NRC van Bram Bakker, jarenlang Wiegs psychiater, schokte haar diep. „Voor sommige nabestaanden, mijzelf inbegrepen”, schreef Bakker onlangs, „was zelfmoord een beter te verteren einde van het leven van Rogi Wieg geweest. Zelf verkozen, en niet met goedkeuring en hulp van de psychiaters, die hem niet meer konden of wilden behandelen.” „Dat je zoiets als psychiater durft op te schrijven”, reageert Kovacs, vechtend tegen de tranen. „Bram is hier in maart geweest. Hij wist dat Rogi zou sterven. Hij kende alleen de datum nog niet. Toen zei hij helemaal niet: ‘Rogi, doe het niet’. Hij stelde nog voor dat hij de Iceman [man die uren in ijs kan zitten] een keer mee zou nemen. Dat zou voor Rogi een opsteker kunnen zijn. Maar hij kwam er nadien nooit meer op terug. En nu dit…. Het was alsof de grond onder mijn voeten verdween.”

Sinds die vijftiende juli leeft ze in een vacuüm, in een grauw en onbestemd schemergebied tussen leven en dood, waar de toekomst onbereikbaar ver weg lijkt. Het gevoel dat daarbij past is het best te omschrijven als ‘de ondraaglijke lichtheid van het bestaan’. „Ik voél mezelf niet, terwijl ik tegelijk zoveel pijn voel. Zelfs Rogi, die een man van woorden was, zou er geen woorden voor weten. Al heb ik wel bereikt wat ik wilde: in liefde tot het einde leven met de man van wie ik zoveel hield. Ik heb de Echte Liefde gekend. Wie kan zoiets zeggen? Ik mis hem elke seconde, maar ik gun hem ook zo de rust. Ik had echt niet kunnen denken dat ik als domineesdochter ooit zou zeggen: ‘euthanasie is een zegen’. Maar nu zeg ik dat volmondig. Rogi is waardig doodgegaan. Bij zelfmoord blijven er altijd vragen achter. Die waren er nu niet. Uit die gedachte put ik elke dag gemoedsrust.”