Iedereen wil mee de zee op

Nederland krijgt vijf nieuwe windparken op zee, Nederlandse ondernemers lopen zich warm. Maar ze hebben het miljardenproject nog niet binnen: de hele wereld mag meedoen aan de aanbesteding.

Illustratie Roland Blokhuizen Illustratie Roland Blokhuizen

Het duurt misschien nog wel twee jaar voor de eerste paal de grond ingaat, maar nu al is de aanleg van vijf windparken voor de kust van Nederland een economisch feit. Bij energiebedrijven, turbineproducenten, bouwers, installateurs, banken, pensioenfondsen en advocatenkantoren zijn al honderden mensen bezig te berekenen of en hoe ze opdrachten kunnen binnenhalen.

Wie de eerste aanbesteding wint ligt een straatlengte voor op de concurrentie bij de volgende opdrachten. Die eerste aanbesteding wordt in december wordt uitgeschreven. In totaal staan vijf nieuwe windparken gepland van ieder 700 megawatt (MW) opgesteld vermogen. Uiteindelijk zal er dan 4.500 MW staan, vier keer zoveel als nu en goed voor de elektriciteitsvoorziening van 4,5 miljoen huishoudens.

Er is in totaal zo’n 11 miljard euro subsidie mee gemoeid. Wind op zee speelt een hoofdrol in het Energieakkoord, dat moet leiden tot 14 procent duurzaam opgewekte energie in 2020 en 16 procent in 2023.

Het wordt een operatie die qua omvang en hoeveelheid werk vergeleken wordt met de aanleg van de Deltawerken. Al werd het Deltaplan uitgevoerd in een ander economisch tijdperk, toen Rijkswaterstaat nog de dienst uitmaakte en de Nederlandse waterbouwers moeiteloos hun opdrachten binnensleepten. Dit keer gaat het volgens de laatste marktmode en wordt er een openbare aanbesteding uitgeschreven waaraan de hele wereld kan meedoen. Daarom zou het zo maar kunnen dat Chinezen, of andere Aziatische partijen, met de opdracht aan de haal gaan.

China is bezig met een enorme inhaalslag op het gebied van wind- en zonne-energie om de uitstoot van CO2 terug te dringen. Het land heeft alle ervaring en kennis nodig die het kan krijgen. En die ligt voor een deel in de Noordzee, waar het ene na het andere windpark verrijst, in België, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Nederland. Wat commerciële partijen zich niet kunnen permitteren, kan een Chinese partij die gesteund wordt door de overheid zich wél veroorloven: bieden onder de kostprijs.

Strenge voorwaarden

Wat moet je doen om de opdracht binnen te halen? Elektriciteit uit wind op zee is op dit moment duur, veel duurder dan elektriciteit opgewekt uit fossiele brandstoffen. Maar die willen we juist niet meer en daarom stelt minister Kamp (Economische Zaken, VVD) subsidie beschikbaar om het verschil te overbruggen tussen wat het kost om een kWh (kilowattuur) op zee te produceren en de marktprijs. Kamp hanteert strenge regels: de productiekosten van de hele onderneming moeten 40 procent lager zijn dan in 2010. Per windpark wordt een prijs per kWh bepaald. Bij de eerste aanbesteding – Borssele 1 en 2, elk 350 MW – is dat 12,4 eurocent per kWh. Tot dat bedrag vergoedt de overheid het verschil met de marktprijs die nu net boven 4 cent ligt. Er is ook een ondergrens: zakt de marktprijs onder de 2,9 cent, dan moet de producent het verschil daaronder zelf bijpassen.

Op zich zijn de aanbestedingsregels simpel: wie het laagst biedt, krijgt de opdracht, inclusief alle vergunningen en een gegarandeerde verbinding naar de kust. Maar de uitvoering is complex én duur. Met de aanleg van Borssele 1 en 2 is naar schatting 2,5 miljard euro gemoeid. Er zijn maar weinig bedrijven die dat in hun eentje op zich willen of kunnen nemen. Daarom is iedereen op zoek naar partners voor een gezamenlijk bod. Volgens betrokkenen zijn er minstens tien consortia in de maak: combinaties van grote elektriciteitsbedrijven, turbinebouwers, maritieme dienstverleners en financiële partijen. Van al die consortia kan er maar eentje winnen.

Iedereen flirt met iedereen

„Het lijkt wel een feestje op de middelbare school”, lacht een betrokkene. Iedereen flirt met iedereen en doet geheimzinnig. Maar wie met wie gaat en achter de schermen welke sommetjes zit te maken, is strikt geheim. Wel is duidelijk dat alle grote binnen- en buitenlandse elektriciteitsbedrijven van de partij zijn: Nuon, RWE, Dong, Eneco, Delta, Eon. En alle turbinebouwers: Vestas, Siemens, Senvion, Alstom, Areva. En alle waterbouwers en installateurs zoals Heerema en Van Oord, maar ook Belgische, Deense en Britse bedrijven.

In het verleden financierden energiebedrijven de windparken op zee met eigen geld. Maar met het Gemini-project ten noorden van Schiermonnikoog, een windpark van 600 MW, deed de projectontwikkelaar zijn intrede – in dit geval Typhoon Offshore: een apart vehikel om financiering van buiten aan te trekken. En dan is er nog een hele reeks financiële adviseurs. Dat kunnen banken zijn, accountantskantoren, maar ook gespecialiseerde clubs als Green Giraffe, die een belangrijke rol speelde in het uitwerken van de financiering voor het Gemini-project.

De grote vraag bij de strijd om dit soort aanbestedingen is hoeveel werk je er van tevoren insteekt. Hoeveel kosten maak je zonder dat je zeker weet dat je de opdracht ook krijgt? Te veel werk kost geld, te weinig kan ook duur uitpakken. „Zeker als je een kleine ontwikkelaar bent, wil je de zekerheid hebben dat je het ook kunt doen voor het bedrag dat je biedt”, zegt Niels Jongste van Green Giraffe. Dat betekent elkaar voortdurend in de gaten houden, inschatten met welke turbines de ander gaat bieden en voor welk soort financiering hij kiest. Op de Noordzee kennen de partijen elkaar en kunnen ze redelijk voorspellen wat de ander gaat doen. Maar wat als een Chinees of een Rus op het toneel verschijnt die ver onder de kostprijs biedt? En, nog belangrijker, kun je zo’n ‘verrassingspartij’ wel vertrouwen?

Veel hangt volgens Jongste af van de kwaliteitseisen voor de aanbesteding. Die worden pas in december gepubliceerd. Al is nu al wel duidelijk dat de winnende partij een bankgarantie moet geven per 350 MW: 10 miljoen euro binnen een maand en nog eens 35 miljoen euro binnen een jaar.

Maar dat geldt nog niet als harde garantie, blijkt op een speciale bijeenkomst die ABN Amro over de aanbesteding van Borssele 1 en 2 heeft georganiseerd. De zaal puilt uit, er zijn meer dan tweehonderd geïnteresseerden. Iedereen die iets met wind op zee te maken heeft in Nederland en daarbuiten, is erop afgekomen. Al was het maar om elkaar in de gaten te houden.

Verschillende sprekers vragen zich af of er voldoende garanties zijn dat de winnaar ook zal leveren. Ze zien beren op de weg: het bod kan ondeugdelijk zijn, er kunnen ondanks al het voorwerk van de overheid nog problemen met vergunningen ontstaan als er beroepsprocedures worden begonnen. En is de aansprakelijkheid wel goed geregeld?

Minister Kamp heeft netbeheerder Tennet aangewezen om de infrastructuur aan te leggen. Maar wat als de verbindingen naar het land niet op tijd klaar zijn en de producent zijn stroom niet kan verkopen? Dat is een risico dat de potentiële bieder niet kan beheersen.

In Duitsland heeft Tennet wat dat betreft de nodige lessen geleerd, al ligt het probleem daar juist andersom. Daar liggen nu meer verbindingen naar de kust dan er windparken op zee af zijn. De bouwers hebben om tal van technische redenen vertraging opgelopen. Tennet wordt een cruciale schakel. Per windpark legt de netbeheerder een platform aan, een ‘stopcontact’, waarop de toekomstige producent kan inpluggen. Er komt één stopcontact per 700 MW, dus één voor Borssele 1 en 2, en één voor Borssele 3 en 4. De eerste moet in 2019 klaar zijn, de tweede in 2020.

Het moet snel en het moet vooral ook goedkoop. Want van de 40 procent kostenreductie die de minister eist, moet 10 procent uit deze infrastructuur komen. Maar de wetgeving die Tennets nieuwe rol van netbeheerder op zee regelt, ligt nog in de Tweede Kamer. Het is onderdeel van de nieuwe gas- en elektriciteitswet waarover mogelijk dinsdag zal worden gestemd. Als alles goed gaat is de wetgeving pas begin volgend jaar helemaal rond.

Stopcontactontwerp

De man die de opdracht voor Tennet in goede banen moet leiden is Marco Kuijpers. Tennet heeft lessen getrokken uit de Duitse aanpak. Daar heeft iedere bouwer bij elk nieuw project zijn eigen stopcontactontwerp gemaakt, wat enorm veel geld kostte en grote vertragingen opleverde. Voor het Nederlandse project wordt nu een standaardplatform ontwikkeld dat in serie geproduceerd kan worden voor alle vijf windparken die tot en met 2023 aangelegd worden. Het moet dus superinnovatief en in één keer goed zijn. Volgens Kuijpers zal het van de techneuten nog de nodige discipline vergen om er niet toch telkens aan te blijven sleutelen en nieuwe foefjes te verzinnen.

De operatie die nu wordt opgetuigd kan rekenen op 15 jaar subsidie per park. Daarna moeten de windparken zichzelf bedruipen. Dat zal moeilijk zijn als de marktprijs, die nu nog bepaald wordt door goedkope steenkool, zo laag blijft. Maar de strijd tussen fossiele brandstoffen en duurzaam opgewekte energie is in volle gang. Het is moeilijk voor te stellen dat steenkool over vijftien jaar nog bepalend zal zijn.

Of wind op zee het definitieve antwoord is op fossiele brandstof, valt ook nog niet te zeggen. Misschien hebben we over vijftien jaar wel heel andere duurzame bronnen aangeboord. Feit is dat Nederland op dit moment heeft gekozen voor wind op zee en aan de vooravond staat van een megaoperatie. De grote vraag is nu wie de eerste opdracht weet binnen te slepen.