En nu moet de student een kritisch econoom worden

Zeker, de economische crisis heeft heilige huisjes omver geworpen. Maar de toekomstige econoom wordt nog altijd opgeleid tot hooghartige technocraat – niet tot kritisch econoom, meent Ewald Engelen. Dat moet veranderen.

Op de beursvloer van de London Metal Exchange (LME), Engeland, afgelopen september.

We leven in een Econocratie. Wie het financieel-economische taalspel beheerst, kan de top van de politiek, toezicht, banken en bedrijfsleven bereiken. Maar hebben wij ons wel voldoende rekenschap gegeven van het massieve ‘kennisfalen’ van de Grote Financiële Crisis?

Met kennisfalen bedoel ik het onvermogen van academici, publieke intellectuelen en media om de waarheid tegen de financieel-economische macht te spreken en om te onthullen dat de bankier en zijn bankeconoom, de toezichthouder en zijn beleidseconoom, de politicus en zijn economisch adviseur keizers zonder kleren zijn.

Vóór de crisis bleken economen te vaak insiders die tegen betaling de theoretische legitimering verzorgden bij beleid dat vooral de belangen van grootbanken diende. Te veel hebben academici uit andere disciplines zich neergelegd bij een arbeidsdeling die onderzoek naar de economie tot het exclusieve domein van de econoom maakte. Te vaak hebben publieke intellectuelen zich laten afschrikken door het numerieke jargon van de econoom. En te vaak ook bleek de pers kortademig, bevangen door een wanhopig gevecht om een slinkende schare kijkers, luisteraars en lezers. Intussen mocht de financiële pers aanschuiven bij de groten der aarde in Washington of Davos. Dat doofde maar al te vaak hun kritische vermogens.

Zeven jaar na de crisis is er niet veel veranderd. Daarmee wil ik niet suggereren dat er niets is gebeurd. Van alle vergeten economen die sinds de crisis zijn herontdekt, zijn Keynes en Minsky veruit de sociaal-wetenschappelijkste.

Al even verheugend is de hernieuwde aandacht voor economische geschiedenis. Dat heeft uiteraard alles te maken met de schaal van onze catastrofe, die vergelijkbaar is met de Grote Depressie van de jaren dertig. Zelfde oorzaak, even diep, even lang, en in het geval van Nederland zelfs langer. En dus gaat het werk van Peter Temmin, Barry Eichengreen, Charles Kindleberger, Milton and Rose Friedman, John Kenneth Galbraith en Ben Bernanke er weer in als koek.

Cognitieve winst is er ook op internet. Daar floreert de economische blogosphere sinds de crisis. Vrijwel iedere zichzelf respecterende econoom voorziet in een blog ongevraagd de laatste mutaties van de crisis bijna live van kritisch commentaar. Daarmee bewijst hij geïnteresseerde burgers een dienst die democratisch van onschatbare waarde is.

Hulde ook voor het IMF. Ooit verguisd vanwege zijn slagersrol in Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië, verwijst de eigen onderzoeksafdeling sinds kort het ene na het andere heilige huisje rücksichtslos naar de schroothoop der geschiedenis. De aanpak van de Griekse crisis was desastreus, en dat lag aan het economisch fundamentalisme van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie. Ongelijkheid is slecht voor de economische groei. Een te grote financiële sector remt economische ontwikkeling. Flexibilisering van de arbeidsmarkt beschadigt het verdienvermogen van economieën. Zo bezien is het IMF nu al een paar jaren progressiever dan de PvdA.

Maar dit alles heeft de academische economiebeoefenaars zelf, die bovenin de kennispiramide de toon van het financieel-economische taalspel bepalen, nauwelijks beroerd. Daar schittert reflectie op de crisis en de eigen rol door afwezigheid. De enige aanwijsbare vernieuwing is de definitieve doorbraak van de gedragseconomie: een al langer bestaande mix van economie en sociale psychologie. De grote aandacht voor emoties, oogkleppen en vuistregels is onmiskenbaar een verrijking van de gedragsaannames van de economie.

Tegelijk reproduceert het het individualistische perspectief op de werkelijkheid dat de economie al zo lang parten speelt. Politiek, instituties, sociale normen, ideeën – ze komen in het universum van de econoom alleen voor als prikkels die het keuzegedrag van actoren beïnvloeden. Toegepast op de crisis levert dat een buitenproportionele aandacht op voor hebzucht, kuddegedrag en zelfoverschatting. En verdwijnen zaken als macht, politiek, lobbyen en ongelijkheid uit beeld.

Daarmee is ook de pathologie nagenoeg dezelfde gebleven. De vanzelfsprekendheid waarmee economen de eigen conventies voor universele normen houden en inzichten uit andere disciplines als onwetenschappelijk afwijzen. Het gemak waarmee in 2010 aan mijn eigen Alma Mater bezuinigingen zijn afgewenteld op de uitmuntend presterende vakgroep Geschiedenis en Methodologie van de Economie. Het anti-intellectuele ingenieursdom. De geringe belezenheid. De arrogantie, het machismo: zeventig procent van de economen is man. Het gebrek aan zelftwijfel, zelfonderzoek, aan filosofische reflectie op de grondslagen van de eigen discipline. De trotse viering van het eigen isolationisme: geen discipline met minder verwijzingen naar andere disciplines dan de economische. De doofheid voor de terechte klachten van studenten over het bloedeloze karakter van economie als mathématique manquée. Zeven jaar na de crisis zijn dat nog altijd de kenmerken.

En natuurlijk helpt het overdreven ontzag van de media voor de vermeende expertise van de econoom daar niet bij. Sinds 1980 hebben Nederlandse media volgens LexisNexis zo’n duizend maal het adjectief ‘topeconoom’ gebruikt. Tot aan de crisis een ruime driehonderd keer, daarna heeft een Nederlandse journalist meer dan zevenhonderd keer een econoom ‘top’ genoemd. Ter vergelijking: in diezelfde periode overkwam dat maar vijf sociologen, geen politicoloog, geen antropoloog, vijf historici, zes filosofen (waaronder Cruijff) en geen enkele geograaf.

Samenlevingen als de onze zijn gedoemd de fouten uit het verleden te herhalen als we niet voldoende intellectuele tegenmacht mobiliseren. Nimmer was de ‘financialisering’ van ons leven zo groot: pensioen en hypotheek; private equity in kinderopvang, vuilverwerking en grootwinkelbedrijf; vastgoed en derivaten in de semipublieke sector; aandeelhouderswaarde in het grootbedrijf. En nimmer was de financiële geletterdheid zo klein. Daarmee bedoel ik niet dat je het fenomeen van rente-op-rente begrijpt, maar dat je een gezond wantrouwen koestert jegens de verkooppraatjes waarmee de bancaire sector ons, onze toezichthouders en onze politici ervan probeert te overtuigen dat de status quo de beste van alle mogelijke werelden is.

Geïnstitutionaliseerde argwaan dus, liefst geschraagd door een forensisch ethos: Waar gaat het geld heen? Wie wordt er rijk van? Wie betaalt het gelag? Hoe wordt het verdiend? Hoe wordt dat verdoezeld? En, vooral, hoe wordt het gelegitimeerd? Wat zijn de metaforen, gelijkenissen en verhalen waarmee hebzucht van zijn politieke angel wordt ontdaan? Wie vertelt die verhalen? Waarom vertellen zij die verhalen? Wat is hun belang?

Begrijp me niet verkeerd: het wordt gedaan. Neem de grote journalistieke onderzoeksproducties van NRC Handelsblad, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer; kijk naar de muckraking van internetplatforms als Follow the Money en De Correspondent; neem de kritische reportages en documentaires van Radar, Zembla, Argos en Nieuwsuur. Maar het is allemaal te incidenteel, graaft vaak niet diep genoeg, en, vooral, het vergeet de structurele, maatschappelijke voorwaarden voor de misstanden die zij aan de kaak stellen, bloot te leggen.

Er is een economische orde ontstaan waarin financial engineering profijtelijker is dan het maken van goederen en diensten voor burgers. En het ontstaan van die orde heeft te maken met de erosie van de onderhandelingsmacht van de factor arbeid als gevolg van het politieke besluit, eind jaren zeventig, om grootbedrijven verregaande mobiliteitsprivileges te geven zonder daar maatschappelijke voorwaarden aan te verbinden. Dát blootleggen vereist een andere taakopvatting van media en academici. Voor media: niet amuseren, maar informeren; niet verpozen maar aanklagen; niet aanschurken tegen de macht maar de macht unverfroren de waarheid zeggen. Voor academici: niet dienstbaar zijn aan overheid, arbeidsmarkt, grootkapitaal en bespottelijke ranglijstjes, maar aan burgers. Als er namelijk iets is waaraan burgers in het gefinancialiseerde kapitalisme behoefte hebben, is het een constante, onverbiddelijke, nietsontziende kritiek van de status quo. Dat kan alleen als we die kraamkamer van het intellect, de universiteit, transformeren van een technocratenmachine in een instelling waar waarheidssprekers worden gevormd.

Foucault zegt over deze waarheidssprekers dat de waarheid van hun uitspraken gewaarborgd is door hun oprechtheid, integriteit en moed. Wat zij uitspreken, wijkt af van de communis opinio en is daarmee gevaarlijk voor henzelf. Vandaar Foucaults nadruk op deugden en karaktervorming: hier sta ik, dit zeg ik, ik kan niet anders. Tegelijk kan de ongemakkelijke waarheid van de waarheidsspreker de gemeenschap behoeden voor collectieve dwalingen.

Wat zou het fraai zijn als dat de missie van economieopleidingen was. Niet langer gelobotomiseerde technocraten opleiden die het financieel-economische taalspel voldoende beheersen om toegelaten te worden tot Econocratië. Maar studenten kneden tot waarheidssprekers, die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, geïnformeerd door het emancipatoire inzicht dat de status quo niet aan natuurwetten beantwoordt maar een mensenmaaksel is en dus veranderd kan worden. Wat zeg ik: moet worden.