Een nostalgische droom

De Schotse ‘Boys’, 19de-eeuwse schilders, schilderden in industrieel Glasgow idyllische tafereeltjes. Er zijn ook enkele knotsgekke schilderijen te zien in Assen.

William York Macgregor, The Vegetable Stall ,1882-1884, olieverf op doek. National Gallery of Scotland

The Boys noemden ze zichzelf, een groep jonge opstandige schilders in Glasgow in de laatste decennia van de 19de eeuw. Ze rebelleerden tegen het kunst-establishment en tegen ‘de verheven traditie’ in de schilderkunst. In Schotland was dit de traditie van historiestukken en van grootse gedramatiseerde vergezichten van de highlands, met zonsondergangen en regenbogen in veel paars en rood. The Boys – de term ‘school’ vonden ze te pretentieus – kozen als onderwerpen taferelen uit het dagelijks leven en het eenvoudige landleven. Ze verbeeldden hun thema’s op een meer realistische manier, met een impressionistische verfstreek en in gedempte tonen groen, grijs en bruin. Hierbij lieten zij zich inspireren door de landschapsschilderkunst van de school van Barbizon en van de Haagse School.

In 1883, ruim twintig jaar na het ontstaan van de Haagse School, debuteerde Joseph Crawhall (1861-1913) op de Royal Scottish Academy met Weide in Lincolnshire (91×127 cm). Het toont het vlakke landschap van Lincolnshire in de Engelse midlands. Crawhall was daarheen gegaan omdat het doet denken aan een Hollands polderlandschap, doorsneden door vaarten en sloten en met grijze wolkenluchten, zoals hij dat bij de Haagse schilders had gezien. Een monumentale witte koe domineert het tafereel, de koeienrug loopt precies parallel aan een hoge horizon.

In datzelfde jaar toonde James Guthrie (1859-1930) op de Royal Academy in Londen Naar een nieuwe weide (92×152 cm), eveneens ontstaan in Lincolnshire. Ook hier is het tafereel, van een meisje dat een troep witte ganzen hoedt, met een grove toets geschilderd in monochrome tinten. Vanwege de blokachtige of vierkante verfstreek werden deze schilders wel de Square Brush School genoemd.

De Boys hebben geen direct contact gehad met hun collega’s in Nederland en Frankrijk, maar hun werk kenden ze goed. John Forbes White, een graanhandelaar uit Aberdeen, bracht het werk van Anton Mauve, Jozef Israëls, Willem Mesdag en de gebroeders Maris naar Schotland. De onconventionele schoonheid van doeken en de natuurgetrouwheid waarmee een eenvoudig leven werd afgebeeld, sloegen direct aan bij andere verzamelaars in Glasgow en Edinburgh. Men meende in deze schilderkunst de waarden te herkennen die hooggehouden werden in de calvinistische traditie van hun Presbyterian Church. Zo ontstond een nieuwe en succesvolle niche in de Schotse kunstmarkt, die inspirerend was voor de Boys en waar zij zelf in de komende decennia van zouden profiteren.

De begrippen ‘realistisch’ en ‘natuurgetrouw’ klinken de bezoeker van de overzichtstentoonstelling van de Glasgow Boys in het Drents Museum mogelijk vreemd in de oren. Glasgow was in de jaren tachtig en negentig van de 19de eeuw de tweede stad van het Britse rijk, een industriestad die rijk was geworden door de bouw van schepen en machines, bruggen en locomotieven, en door de productie van whisky en textiel. Te oordelen naar deze schilderijen droomde de welgestelde bovenklasse van deze lawaaierige, drukke en stinkende stad een nostalgische droom van een rustig leven op het platteland.

De tentoonstelling wemelt van herderinnetjes en mierzoete taferelen van kinderen in boomgaarden. Het harde, sombere realisme van een schilder als Courbet is hier ver te zoeken. Waar armoede is verbeeld is nergens sprake van politiek of maatschappelijk engagement, maar eerder van een romantische verheerlijking van een deugdzame en sobere levenswijze. Op het schilderij Schoolkameraadjes van Guthrie lopen drie brave kinderen in opgelapte kledij over de landweg naar school. De gezichten zijn fijn uitgewerkt, als roze porselein, de rest is gedaan in het inmiddels vertrouwde grijsbruinige palet. Andere populaire thema’s van de Boys zijn bijvoorbeeld de ‘jonge landarbeidster’ of het werk in de moestuin.

Ook prikkelend

Naast deze bevallige, soms kitscherige taferelen hebben de Glasgow Boys wel degelijk ook meer prikkelend en avontuurlijk werk gemaakt. Heel mooi is bijvoorbeeld het donkere schilderijtje Harvest Moon (1895) van William Kennedy, van een verlaten dorpsstraat bij avond met een opkomende, bloedrode maan. De karigheid van vorm en compositie en de sterke wit/donker contrasten hebben een grote expressieve kracht. Iets vergelijkbaars geldt voor Sundown van George Henry, een atmosferisch rivierlandschap dat de invloed toont van het werk van James McNeill Whistler.

Sommige leden van de groep bekwaamden zich vanaf ongeveer 1885 in het verbeelden van taferelen uit het aangename leven van hun opdrachtgevers. John Lavery schilderde tenniswedstrijden, zoals The Rally (1885), waarbij de aandacht vooral getrokken wordt naar de witte japon van de tennisspeelster, die als een zuil onder haar draaiende lichaam staat.

Interessant wordt het werk van deze schilders wanneer enkelen van hen het programma van de naturalistische weergave van landschappen en van genretaferelen achter zich laten. Zij wijden zich aan schilderkunstige experimenten, die de grote revolutie in de kunst aan het einde van de 19de eeuw voelbaar maken. De fascinatie voor kunst uit Japan speelde hierin een belangrijke rol. De kunstenaars waren hiermee bekend onder meer doordat de Art Gallery van Glasgow een grote verzameling oosterse kunst bezat. In 1893 ondernamen George Henry en Edward Atkinson Hornel gezamenlijk een reis naar Japan die hun werk sterk zou beïnvloeden.

De liefde voor de oosterse kunst resulteerde met name bij Hornel in een aantal eigenzinnige, om niet te zeggen knotsgekke schilderijen, die een mengeling zijn van decoratieve patronen, kleurvlekken en landschappelijke elementen. Voorbeelden zijn Schapen grazend in een herfstlandschap (29×40 cm) en De geitenhoedster. Dit laatste werk is een curieus amalgaam van natuurbeleving, symbolisme en decoratieve abstrahering. In andere, latere werken van Hornel gaan de figuren volledig op in een dicht netwerk van kleurrijke patronen, zodat tapijtachtige effecten ontstaan.

Het werk van de Glasgow Boys wordt op de tentoonstelling aan de hand van enkele werken van onder anderen Mauve, Maris en Israëls in de eigentijdse context geplaatst. Ook is er op een summiere manier iets te zien van de manier waarop de schilders omgingen met fotografie. De schilderijen van de Boys wekken de indruk dat ze voor een belangrijk deel zijn ontstaan als een poging om hun werk nadrukkelijk te distantiëren van de fotografie, terwijl ze tegelijkertijd gebruik maakten van foto’s bij het ontwerpen van hun composities. Het zou boeiend zijn om deze wisselwerking nog eens in een expositie uitgewerkt te zien.