'Een lastig kind is niet ziek'

Een te druk kind heeft ADHD, een te stil is autistisch? Stop met elk kind een stempel geven, zegt gezinscoach Liesbeth Hop bij soep en sap. Ze begon een campagne tegen labelen.

Foto Merlijn Doomernik

Even vingers opsteken. Welke ouder heeft een kind met ‘iets’? ADHD, PDD-NOS, ASS, ADD of een stoornis met een andere naam? Heeft uw kind op de basisschool al bijles? Wiens kind slikt er Ritalin of Concerta? Iemand met een kind over wie de school (of de leesmoeder, uw vrienden, uzelf) ‘twijfels’ heeft?

Grote kans dat u met uw vinger omhoog zit. En anders heeft u vast wel van die onrustbarende cijfers voorbij zien komen. De afgelopen tien jaar: twee keer zoveel basisscholieren die extra hulp nodig hebben, vier keer zo veel middelbare scholieren met een rugzakje (extra geld voor extra hulp). Bijna een miljoen kinderen tussen de 4 en 18 gebruikt medicijnen voor hun leer- of gedragsstoornis, 125.000 daarvan zijn aan de Ritalin, en dat alleen al is 4,5 procent van de Nederlandse jeugd.

Liesbeth Hop (52) hoorde en zag die cijfers ook. En in haar praktijk (ze is opvoedcoach) zag ze de tragiek achter de getallen; onzekere ouders, ongelukkige kinderen. Bij haar riep het de vraag op die bij veel mensen sluimert. Hoe kán het? Waarom is er met zoveel kinderen iets mis? Ligt dat aan de kinderen? De ouders? Het onderwijs? De hele samenleving soms?

Ze schreef er een boek over, Gun kinderen hun eigen label, en onder dezelfde titel is ze een landelijke campagne begonnen. Haar boodschap: stop met kinderen testen, diagnosticeren en categoriseren. ‘Anders zijn’ is geen stoornis en niet elk afwijkend kind is ziek.

We spreken af bij Baut Zuid, een pop-up restaurant in de voormalige Citroëngarage. Op de menukaart sappen met bietjes en paarse bataat, wortel en kaneel, courgette en zeesla. We lezen dat het ons zal verkwikken en ontgiften, ons verjongen en versterken, of ons voorzien van nieuwe energie en concentratie. Probeer daar maar eens uit te kiezen. „Ik heb thuis ook een slow juicer staan”, zegt Liesbeth Hop (52). Ze kijkt even op van de menukaart. En? Gebruikt ze die veel? Nee, schudt ze. „Nooit.” Ze schudt haar haren uit haar gezicht. Met haar jeugdigheid zit het wel goed. „Ik ben leeftijdsloos, net als mijn ouders. Ze zijn 82, maar gedragen zich als zestigers.”

Liesbeth Hop zelf labelen, is niet zo eenvoudig. Ze had een eigen onderzoeksbureau gespecialiseerd in hoe kinderen met media omgaan (en andersom). Ze was vast niet de enige die voorzag dat mobiele telefoons, onbeperkt internet en permanente bereikbaarheid weleens een risico zouden kunnen zijn voor kinderen, alleen richtte zij vervolgens de Nationale Academie voor Media en Maatschappij op, met een eigen opleiding tot ‘media coach’ en lesmateriaal voor scholen. Na een kwartiertje praten, weet je dat ze ook tennisleraar was, holistisch masseur en dat ze nu nog af en toe stoelmassages geeft op grote dancefeesten. Dat ze gitaar speelt, bokst en dat ze sinds een paar jaar een praktijk heeft als ouder- en kindcoach.

Ze is geen psycholoog, en ook geen therapeut. „Ik probeer problemen vooral praktisch op te lossen.” Ze is ook geen orthopedagoog of psychiater. Maar dat hoef je allemaal niet te zijn om te constateren dat bij veel ouders onbehagen groeit. Met zoveel te trage, te drukke, te afgeleide, te verlegen kinderen die afwijken van de norm, beginnen ze zich af te vragen wat die norm is, en wie eigenlijk bepaalt wat normaal is. Liesbeth Hop sprak wetenschappers, leraren en ouders en concludeert: het probleem is dat wij (de volwassenen) te snel, te vroeg en te hard oordelen over kinderen.

Autistisch spectrum

Liesbeth Hop heeft een oudere en een jongere zus. „De middelste is altijd de lastigste.” Als ze nu kind was geweest, had ze dan een label gekregen? „O, vast.” Ze was, zegt ze, een buitenbeentje, een eenling. „Ik voelde me niet prettig in grote groepen, ik deed mijn eigen dingen, paste me niet aan.” Iets in het autistisch spectrum?, help ik. „In een lichte vorm. Het punt is, ik ben gewoon niet zo gevoelig. Ik wals soms over mensen heen. Met mannen kon ik altijd beter overweg dan met vrouwen.” Misschien heeft ze iets meer testosteron dan andere vrouwen? Ze schudt van nee. „Dat is ook weer zo’n label. Ik ben totaal geen mannelijk type.” Een paar jaar geleden realiseerde ze zich dat ze nauwelijks vriendinnen had. Behalve die ene, die ze sinds haar tiende kent. „Ik ben heel bewust mijn best gaan doen om vriendinnen te maken.” Gelukt? Ze telt zachtjes op haar vingers. Twee, drie, wel vier vriendinnen heeft ze nu.

Nou had zij „schatten van ouders”, en ook op school ging het best goed. „Maar toch, ik was anders. Mensen werden daar boos om. Ik moest altijd knokken om te mogen zijn wie ik was.” Nu neemt ze het op voor kinderen die ‘anders’ zijn. „Nog altijd vecht ik voor het kind in mezelf.”

Was zij nu kind geweest, dan had ze het zwaar gehad. „De sociale context was in mijn jeugd totaal anders. Mijn moeder was thuis, de moeders van de buurkinderen ook. Er was meer tijd, meer ruimte om kind te zijn en minder prestatiedruk. De scholen waren nog niet aan het toetsen en testen geslagen. Kinderen die niet mee konden komen, of die anders waren, werden niet meteen doorverwezen naar een medisch specialist. De kans op een label was kleiner.”

Misschien, zeg ik, werd er minder goed gekeken naar kinderen dan nu, en viel het niemand op dat ze wat mankeerden? „Het is heel heilzaam zijn om even niets te doen. Wacht eerst eens af hoe een kind zich ontwikkelt.” Dat is wat ontwikkelingspsycholoog Dolf Kohnstamm ‘liefdevolle verwaarlozing’ noemt.

„We zijn doorgeschoten in het meten en testen van kinderen”, zegt Liesbeth Hop. En meten is vergelijken. Het begint al op het consultatiebureau. „Een plasluier meer of minder en je baby valt uit de curve voor groei of gewicht. Ouders, ook maar amateurs, meteen onzeker. Je kind is niet normaal. Niet gemiddeld. Wie wil er nou gemiddeld zijn? Niemand. Waarom verlangen we dat dan wel van onze kinderen?”

Plassen

Ondertussen bloeit haar coachingspraktijk. Zij coacht de ouders van een jongetje van vier, net begonnen in groep 3. „Op school gaat het niet goed. De juffen zeggen dat hij doelloos door de klas loopt en zijn moeder zoekt. De juf zegt dat hij niet alleen naar de wc durft. Dat klopt, hij is bang om de deur op slot te doen. Thuis hoeft dat niet. Dus drinkt hij op school zo min mogelijk, dan hoeft hij niet te plassen. De juf zegt dat hij weinig praat en vaak alleen speelt.” Ze pauzeert even. „Is dit een jongetje van vier dat tijd nodig heeft om zich aan te passen? Of moet hij, zoals de school adviseert, getest worden?

Of de vader van de jongen van 12, net begonnen in de brugklas. „De vader noemt zijn zoon speels. De school vermoedt ADD. Wat moet je dan? Naar de dokter?” Een etiket met wat het kind mankeert geeft „houvast en duidelijkheid”, zegt zij. Maar pas op, kijk uit. „Voor je het weet, kijk je alleen nog naar wat een kind mankeert en niet naar wat het nodig heeft.”

Zij moedigt ouders aan te knokken voor hun kind. „We meten alleen harde eigenschappen.” Groei, intelligentie, rekenvaardigheid. We meten niet of een kind empathisch is, spontaan of creatief. Of het kan samenwerken, leiding kan geven. Bovendien, geen kind ontwikkelt alle vaardigheden in hetzelfde tempo.”

Een kind, zegt zij, is de „allerbeste geestverruimende drug”. „Het openbaart bij ouders emoties en instincten die ze nog niet kenden.” Ouders, zegt ze, moeten accepteren dat hun kind niet precies zo is als zij. Zij bracht 21 jaar geleden een Javaans uitziend jongetje ter wereld dat wel op zijn vader leek, maar totaal niet op haar. „Hij is veel bedaarder en behoudender dan ik. Gelukkig hield hij wel van tennis.”

Een kind moet mogen zijn wie het is, zegt zij. „Soms raken ouders zo gefrustreerd, dat ze bijna een hekel krijgen aan hun kind. Een kind is niet op aarde om jou te kwellen. Neem het zoals het is, dan ben je er ook blijer mee.” Ze zegt ook: moeilijk gedrag is vaak een uitvergroting van een kwaliteit. Dus een kind is niet driftig, maar heeft een sterke wil. Niet roekeloos, maar moedig. Het zit niet in z’n eigen wereldje, maar kan zich goed concentreren.

Nou bestaan er ook nogal wat mondige ouders, zeg ik. Ouders die zeker weten dat hun kind niet gewoon vervelend, maar heel bijzonder is, en die lezen haar boek ook. Ze knikt. Je krijgt weleens het gevoel, zegt ze, dat bij een geslaagd leven een geslaagd kind hoort. Geen gelukkig, maar een gelukt kind. „Een kind moet sociaal zijn, erbij horen, goed meekomen op school, goed zijn in sport. Er ligt nogal wat druk op geluk.”

Ze begint over haar vader, die bij hen thuis in Heemstede een speelkamer inrichtte waar alle buurkinderen kwamen spelen. En over de ouders van nu, die met een draaiende motor voor school wachten, tussen de bedrijven door, op weg naar de volgende activiteit. Wacht even, gaat zij nu het glibberige paadje op van de werkende ouder met te weinig aandacht en tijd voor de kinderen? „Nee hoor,” zegt ze stralend. „Ik was ook zo.” Maar toen de juf in groep 4 een totaal ander vijfjarig jongetje beschreef dan de zoon die ze thuis zag, liet ze hem niet testen. Ze haalde hem van school en stuurde hem naar een andere. Nou roept ze ouders niet op hetzelfde te doen als zij. Wat ze wel zegt: „Onze kinderen zijn niet stuk, ze hoeven niet gerepareerd. Stuur ze toch niet voor elke eigen-aardigheid naar de dokter.”