De échte waarheid van Tibet

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de ‘Tibetaanse Autonome Regio’ laat China journalisten toe in Tibet, zij het onder strakke begeleiding. Trots wijzen de Chinese oppassers op de snelle modernisering. Ook het aantal partijleden neemt snel toe.

Viering in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa van vijftig jaar ‘Tibetaanse Autonome Regio (TAR)’, de officiële naam van de West-Chinese provincie. Foto Reuters/ China Daily

‘Ik ben geen partijlid en daarom krijg ik, denk ik, geen paspoort”, fluistert juf Dolyang (34) die net met groep 5 van de Lhasa-Beijing Experimentele Tweede Middenschool in Lhasa de hoofdsteden van de vier grootste Engelssprekende landen heeft gerepeteerd. „Ik zou heel graag Australië bezoeken en in Londen studeren, maar ik mag China niet uit.”

Voor het eerst op een vijfdaagse, strikt geprogrammeerde reis door Tibet krijg ik, op een onbespied moment, een openhartig klinkend antwoord. De oppassers van het propaganda-apparaat in de Tibetaanse Autonome Regio zijn de drie teams van Nederlandse en Belgische tv-stations naar de klassen Chinees en Tibetaans gevolgd.

De opgewekte Dolyang stampte er bij 39 kinderen in blauwe en lavendelkleurige uniformen niet alleen de namen van verre hoofdsteden in, maar ook van de Engelstalige landen met de mooiste stranden. En dat deed zij dermate gloedvol dat de vraag of zij daar zelf al eens was geweest voor de hand lag. „Nee, het is een van mijn meisjesdromen’’, zegt zij met een blos.

Haar vier aanvragen in drie jaar werden afgewezen, en zij heeft geen idee waarom, alleen vermoedens. Etnische discriminatie is onwaarschijnlijk; angst voor beïnvloeding door de Dalai Lama, die in het Indiase Dharamsala huist, lijkt meer voor de hand te liggen.

Dolyang knikt: „Het is bangigheid en ik hoop dat het beleid snel verandert, want ik voldoe aan alle voorwaarden.” Haar familie bestaat uit seculiere middenstanders, zij heeft geen broers, ooms of neven in de kloosters of in gevangenissen en er staat thuis op de ouderlijke schoorsteenmantel geen foto van de Dalai Lama, „de wolf in schaapskleren, de separatist” (dixit staatspersbureau Xinhua). Alleen betrouwbare Tibetanen, zoals de 350.000 partijkaders, de meest loyale zakenlieden en enkele hoge volgzame monniken krijgen paspoorten en uitreisvisa.

In Lhasa, op „het dak van de wereld” met uitzicht op sneeuwwitte bergpieken en diepblauwe luchten, blijft Dolyang dromen van zandstranden, warme zeeën en studeren in Londen, zoals talloze van haar Han-Chinese leeftijdsgenoten doen of hebben gedaan. Net als ik wil vragen hoe de stemming is in Lhasa sinds de grote onlusten in maart 2008, toen Tibetanen winkels van Han- en Hui-Chinezen plunderden en in brand staken, draait zij zich om en hervat de les.

De reden: de nieuwsgierige, inspecterende blikken van de schooldirecteur en de adjunct-directrice van het Regering-informatie Bureau van de Tibetaanse Autonome regio China, het propaganda-departement van de CPC in Lhasa. Een gesprek in het Chinees is geen punt, een praatje in het Engels dat zij niet verstaan, is suspect.

Zeker met buitenlandse journalisten. Meer dan 15 miljoen Chinese en buitenlandse toeristen reizen dit jaar probleemloos – op wat hoofdpijn en duizeligheid na – door de zuurstofarme stadjes en dorpen op het Tibetaans Plateau, maar de media worden geweerd. Voor de in China geaccrediteerde correspondenten met het speciale J-visum in hun paspoorten is de Tibetaanse Autonome Regio doorgaans onbereikbaar, je komt niet verder dan de incheckbalie op het vliegveld.

Sporadisch gaat voor buitenlandse kranten en tv-stations de deur op een kier. Ditmaal is de aanleiding het 50-jarig bestaan van de Tibetaanse Autonome Regio (TAR), zoals de West-Chinese provincie officieel heet. De TAR werd vijf jaar na de ‘bevrijding’ of ‘annexatie’ ingevoerd als bestuursmodel, waarin Tibetaanse communisten de burgemeesters-, districts- en gouverneursposten vervullen en de hoogste functie, die van provinciale partijsecretaris, naar een Han-Chinees gaat.

In de luren

Over de bedoeling van de uitnodiging wordt niet geheimzinnig gedaan. De Westerse media laten zich in de luren leggen door „de waarheid van de Dalai Lama en zijn blind voor de echte, op harde feiten gebaseerde waarheid”, legt Jimy Wangtse, de Tibetaanse directeur-generaal van het CPC-propaganda-apparaat uit. Zijn politieke uitspraken tijdens een vijftiengangen-diner in het viersterren Brahmaputin Hotel worden nauwgezet genotuleerd door drie Han-Chinese partijfunctionarissen uit Beijing. Later zullen zij ook gesprekken met ‘gewone Tibetanen’ digitaal registreren.

De mars door het propagandistische mijnenveld, dat associaties oproept met het Israëlisch-Palestijnse conflict, begint pas goed als hij vertelt dat de westerse media in de ban zijn van ‘vier misconcepties’ over Tibet. De hooggeplaatste Tibetaan tikt ze af: „De traditionele cultuur is vernietigd. Onwaar! Er is geen vrijheid van religie. Onwaar! Het milieu is vervuild. Onwaar! En Tibetanen zijn nog steeds doodarm. En dat is ook onwaar.” Of het dan ook onwaar is dat jongeren geen paspoort krijgen? Het is het type directe vraag dat de gastheer niet had verwacht. Na overleg met de twee Han-Chinese functionarissen aan tafel zegt hij dat China bevriende landen niet wil opzadelen met potentiële probleemgevallen.

„Het punt is niet dat wij geen paspoorten verstrekken, maar dat India en jullie in Europa heel strikt zijn met het verlenen van visa aan Tibetanen. Wat is het punt van paspoortverstrekking als zij toch geen visa krijgen. Jullie hebben al genoeg illegale vluchtelingen, dat snappen wij.”

Als de tafeldiscussie over ‘twee waarheden en vier misconcepties’ oplaait, en de vragen over de keerzijden van de onstuitbare ver-Chinezing van Tibet naar zijn smaak te gevoelige aspecten raken, beëindigt hij het diner opeens vanwege een dringende volgende afspraak. Maar voordat hij in de lift stapt, wijst hij op de zwart-witfoto’s aan de muren van het hotel.

Het Tibet van vijftig of honderd jaar geleden, zo getuigen de beelden van Britse en Chinese legerfotografen, was een feodale hel: gewone Tibetanen waren de slaven van een seculiere en religieuze elite. „ Kijk zelf maar hoe het nu is’’, maant Jimy Wangtze. Met strenge blik en een stevige handdruk zegt hij: „China heeft ons bevrijd, het is een leugen dat China Tibet onder de voet heeft gelopen. Vergeet dat niet te melden.”

Modernisering

Sinds eind 2008, begin 2009 is het tempo van de modernisering opgevoerd. Na ‘3/14’ – op 14 maart 2008 braken de ernstigste rellen sinds de opstand van 1959 uit – is de geldkraan wijd opengedraaid. De provincie met 3,9 miljoen inwoners is overspoeld met in totaal 83 miljard euro en dit jaar zal de grens van 100 miljard euro doorbroken worden.

Van de Tibetaanse Oxford-historicus Tsering Shakya is de constatering dat „velen in Tibet de moderniserende invloed van China verwelkomen”. Hij stelt in zijn verhelderende The Dragon in The Land of Snows ook vast dat het niet klopt dat de Chinezen Tibet onder de voet hebben gelopen, maar dat de communisten werden verwelkomd door de toenmalige elite, inclusief de huidige Dalai Lama. Hij verwijt de communisten – en dat geldt tot op de dag van vandaag – dat zij uitermate bot omgaan met de spirituele behoeftes van de Tibetanen. Chinese communisten denken nog steeds dat het opheffen van economische verschillen zal leiden tot etnische en religieuze vrede. Was dat decennialang alleen marxistische theorie, nu China de op een na grootste economie ter wereld is, is er aan fondsen geen gebrek. Er gaan in naam van ‘lange termijnstabiliteit’ en ‘nationale en ecologische veiligheid’ kapitalen naar Tibet en daar moet menig bestuurder in China zelf jaloers op zijn.

Lhasa anno 2015 oogt verzorgder, schoner, leefbaarder en minder arm dan menige Chinese stad in het noordoosten of het diepe zuiden. Het tempo van ‘nation-building op z’n Chinees’ ligt zichtbaar hoog. Met trots laten de oppassers de nieuwe spoorlijnen, nagenoeg volle industrieterreinen, pas opgeleverde woonwijken en het eerste ecopark, een beschermd moerasrandgebied zien. Lhasa en Shigatse, die met elkaar verbonden zijn door een zwart-glanzende autobaan, beschikken inmiddels ook over warenhuizen met een aanbod dat wijst op een snel groeiende middenklasse.

„Wij hebben inmiddels drie vijfsterrenhotels en een Starbucks”, meldt de Tibetaanse propaganda- en toergids Yishi met een brede grijns. In een imposant, pas geopend museum komt de toerist alles te weten over de Yak en het leven van de Tibetaanse herders, alleen de penetrante geuren van yakboter en yakwol ontbreken.

Dat de herders in hun bestaan worden bedreigd door nieuwe mijnen, netwerken van elektriciteitslijnen en hydrodammen blijft overigens onvermeld. Net als in Binnen-Mongolië staan de graslanden onder toenemende druk. De snelle ontwikkeling van Tibet dient ook een strategisch Chinees belang: de winning van grondstoffen. Ten behoeve van pas gearriveerde en toekomstige ondernemers zijn de mobiele telefoonverbindingen zelfs op grote hoogte uitstekend en is het internet redelijk snel en stabiel. De masten, even buiten Lhasa, waarmee de signalen van de Voice of America en Tibetaanse stations worden geblokkeerd, doen het ook goed.

Chinese toeristen besteden dit jaar rond de drie miljard euro in Tibet en daarom worden vliegvelden en treinverbindingen de komende jaren nog verder uitgebreid. Op het Jokhang-plein tegenover het gelijknamige klooster mengen deze Chinese toeristen zich in ogenschijnlijk ontspannen sfeer met Tibetaanse pelgrims en bedelaars. Kijk beter en je ziet de agenten in burger, gewapend met walkietalkies en dure camera’s, en de mobiele SWAT-eenheden in zijstraatjes. Een herhaling van ‘3/14’ wordt blijkbaar niet uitgesloten.

Een wandeling zonder oppassers blijkt in oud-Lhasa onmogelijk; nog voordat ik een zijstraat ben ingeslagen richting Beijing Lu, waar in 2008 de winkels in brand stonden, heb ik al een volger achter mij aan, een jonge Han-Chinese vrouw van het propagandadepartement. Mevrouw Yang die al 15 jaar in Lhasa woont, volgt mij, vertelt zij later desgevraagd, om te voorkomen dat ik verdwaal. Cafébezoek in Lhasa is diezelfde avond ook niet mogelijk zonder begeleiding van twee teams van drie agenten die zich verplaatsen in Toyota Landcruisers. Er zou een niet-geautoriseerd gesprek met Chineessprekende Tibetanen kunnen plaatsvinden.

Propaganda

Net zo zichtbaar als de economische modernisering is de politieke overvleugeling van Tibet. Zie je in andere Chinese steden nog zelden posters en slogans, in Lhasa en Shigatse wordt op vliegvelden, pleinen en busstations nog aan ouderwetse propaganda gedaan. Op Mount Rushmore-grote posters staren in historisch-correcte volgorde Mao Zedong, Deng Xiaoping, Jiang Zemin, Hu Jintao en Xi Jinping vastbesloten de verre toekomst in.

Op de nieuwe, rode tractoren op het land – de yak is in onbruik geraakt – en op ieder huis, ieder gebouw en ieder klooster wappert de rode vlag, meestal pal naast de gratis satellietschotel. Kloosters worden tegenwoordig bestuurd door ‘kloosterbesturen’ die voor 60 procent bestaan uit monniken en 40 procent uit partijkader. Kloosters die vroeger duizenden monniken herbergden, zijn omgebouwd tot verstilde musea, monniken fungeren als toezichthouders die moeten voorkomen dat toeristen heilige objecten fotograferen. Van de dertiende, in 1933 overleden, Dalai Lama hangen overal foto’s, van de huidige, de veertiende, is geen spoor te bekennen.

In de vredige dorpen in het district Gyangtse was de CPC tot eind 2011 nagenoeg afwezig, maar sinds de komst van partijsecretaris Jampa, een onderwijzeres, telt de partij op 1.900 inwoners 130 partijleden. Een van die nieuwe leden is de 22-jarige Dhargey, die verantwoordelijk is gemaakt voor de organisatie van een tafeltennis-competitie en een maandelijkse dansavond voor jongeren. Hij geeft ook computerlessen aan scholieren. „Dankzij de CPC worden ook wij allemaal rijk, er is hier bijna geen armoede meer”, zegt Dhargey, dat ‘vooruitgang’ betekent. Hij weet dat het partijwerk voor hem een opstapje is naar de prestigieuze Etnische Minderheden Universiteit in Beijng. Wordt hij daar toegelaten en studeert hij af, dan gaat hij een goed verzorgd leven als ambtenaar in het Tibetaans bestuur tegemoet. Of hij weet dat leeftijdgenoten die geen partijlid zijn, het land niet mogen verlaten?

„Waarom zou je hier weg willen, dit is toch het mooiste land van de wereld. Waarom komen anders zoveel toeristen hier naar toe”, antwoordt hij verbaasd.

Partijsecretaris Jampa, een kordate, vriendelijk ogende vrouw, type sociaal-werkster, snapt dat ook niet. „Wij hebben hier al gezorgd voor elektriciteit, stromend water en een kliniek”, vertelt zij in vloeiend Chinees.

Zij erkent dat de meeste bewoners nog steeds arm zijn, twintig procent moet rondkomen van minder dan 300 euro per jaar, de Chinese armoede grens. Tachtig procent verdient in de staatsbedrijven en op het land of in de bloementeelt inmiddels het Chinese gemiddelde van 8.000 euro per jaar, een enkele grote boer komt boven 12.000 euro uit. Dat de boeren rijker zijn is ook zichtbaar aan de televisies, wasmachines en mobiele telefoons in de huizen. Van een groep van twaalf theepluksters op een kwekerij beschikten vier over een iPhone.

Maar is rijker – en dat is onbetwistbaar een Chinees succes – ook gelukkiger?

Als ik Jampa het Chinese spreekwoord voorleg dat je wel „bergen en rivieren kan verplaatsen, maar dat de menselijke natuur moeilijk te veranderen is” klapt zij lachend dicht. Ook vragen over de invloed van de Dalai Lama, zijn toekomstige reïncarnatie en over haar rapportage over politiek minder betrouwbare dorpsgenoten gaan verloren in een acute taalkloof. Beleefd maakt zij een einde aan het gesprek.

Buiten staat de zon hoog en zijn de leigrijze wolken die tegen de pieken leunden, verdwenen. De rijkste boer van het dorp, is beschikbaar voor interviews. Hij is geen partijlid, zoals andere boeren en ondernemers – allemaal eerste, tweede of derde partijsecretarissen – die op deze reis geïnterviewd mochten worden. Hij taalt niet naar een partijfunctie als de prijzen van gerst en melk maar stijgen en hij yakwol via het internet kan verkopen aan stedelingen ver weg.

Bij de dorpskraan, naast een stoepa en een vervallen altaar, wast een bejaarde vrouw met behulp van haar dochter haar lange grijze haren. Haar arm- en halsbanden van gebedskralen maken tikkende geluiden; haar gebedsmolentje heeft zij in haar bruine tuniek gestoken; de dochter heeft witte iPhone-dopjes in haar beringde oren. Ik vraag haar waarom zij zich niet binnen wast, maar buiten in het stof van passerende auto’s , en in de onbarmhartige zon.

„De waterleiding is kapot en we hebben geen geld voor de reparatie”, zegt het meisje.

Ben je al lid van de partij?

„Nee, zij hebben mij niet gevraagd en ik wil ook geen lid worden”, antwoordt zij in het Chinees.

Waarom niet?

„Dat kan ik niet zeggen.”

Heeft dat te maken met de Dalai Lama?

„Nee, mijn oudste broer en een broer van mijn vader zijn lama’s.”

De ogen van haar gerimpelde, kromgetrokken moeder lichten nieuwsgierig op bij het horen van de spirituele leiderstitels. Als zij even verderop de Tibetaanse en Han-Chinese oppassers roepend („Hé, Oscar, de bus vertrekt”) ziet aankomen, trekt zij haar dochter de straat over en duwt haar de binnenplaats van haar boerderij op. Met een klap wordt de deur vergrendeld.