Crow control

Een jager krijgt de opdracht een zwerm huiskraaien af te schieten in Hoek van Holland. Twee jaar later is dat nog steeds niet gelukt. Alleen de slimste vogels zijn nog over, en de buurt is in verzet. Wie gaat winnen?

Een donkerblauwe Ford Transit rijdt in alle vroegte over perron drie van station Hoek van Holland-Haven. Het busje stopt, een jager in zwart stapt uit, haalt een ladder uit het busje, zet hem tegen de overspanning van het perron en klimt over de krakende sporten de Westlandse hemel tegemoet, eeuwig verlicht door de kassen.

De voettocht over het dak lijkt eindeloos. Met snelle passen, emmers in zijn hand, loopt hij naar de veertig kooien achteraan. Niemand die ze vindt, anders waren ze al lang kapot gestampt door activisten. Een jager moet dieren te slim af zijn, soms ook de mens.

De luchtroosters ruisen, verder is het stil. Vandaag moeten de kooien vol zitten anders was alles voor niets. De tientallen autoritjes vanuit Lelystad. De kilo’s maïs en hondenbrokken die de jager dagelijks in een spoor naar de kooien strooide. Telkens iets dichterbij en gisterochtend voor het eerst erin, zodat de kleppen zullen dichtvallen zodra de vogels hun lot verbinden aan hun eigen gulzigheid. Missie geslaagd.

Hard gefladder doorbreekt de stilte. Niks, helemaal niks. De jager ziet het meteen. Ja, drie tortelduiven en twee kauwen, vechtend voor hun leven. Maar die tellen niet. Hij laat de duiven vrij. De kauwen draait hij geroutineerd de nek om. Anderhalf rondje totdat je ‘plop’ hoort en de schedel uit de atlas ligt. Vaatdoektechniek.

Terwijl de jager beneden teleurgesteld zijn spullen weer inlaadt, nadert een klein zaklamplichtje. Twee jonge knullen van de marechaussee. „Meneer, we werden gewaarschuwd dat hier iemand met een ladder liep. Wat komt u doen?”

Invasieve exoot

Het moet rond 1994 zijn geweest dat twee onbeduidende, zwarte vogels Nederland bereikten. Het waren huiskraaien (Corvus splendens), vermoedelijk meegevaren als verstekeling op een vrachtschip vanuit Egypte. Dat gebeurt in Europa vaker. Maar ditmaal bleek het een paartje. Een unicum. Er was kans op uitbreiding.

Normaal leeft de soort in verre landen. Daar geniet hij ondanks zijn bescheiden postuur (spanwijdte 68-80 cm) een slechte reputatie. Zo staat de huiskraai in Kenia bekend om het beschadigen van mango’s en bananen. Op de Seychellen steelt hij eieren, in Jemen doodde hij eens een jonge geit en in Singapore poept hij alle auto’s onder. In Mombassa verjoeg de huiskraai een kolonie wevervogels, in Dar es Salaam de geelsnavelwouw. Hij staat bekend om zijn vernielzucht jegens elektriciteitskabels, in Mauritius viel hij puppies van zwerfhonden aan.

Als je niet uitkijkt, breidt de huiskraai zich razendsnel uit tot een plaag zoals in Mumbai, waar hij met duizenden luidruchtig foerageert rond het vuilnis in de haven. De huiskraai is een rasopportunist die >> >> eet wat de pot schaft en niet moeilijk doet over een slaapplek.

Boven alles staat de huiskraai bekend als intelligent. Hij herkent gezichten en is immer op zijn hoede. Nooit zal hij eindigen tegen het raam of uitgesmeerd over het asfalt. Vaste gewoonten geeft hij op zodra gevaar dreigt. En wie zijn nest uit de boom verwijdert, zal de volgende keer meters hoger moeten klimmen om iets te vinden. Als gevolg bleken de resultaten van bestrijdingsprogramma’s in het verleden erg wisselend. De huiskraai is een predator, slimmer dan zijn prooi. Net als de jager.

In de jaren nadat het paartje zich in Hoek van Holland had gevestigd was het Groot-Brittannië dat zich opwond toen het tot broeden kwam. De afvaart voor de Stena Line naar Harwich lag nog geen kilometer van het nest. Stel je voor dat ze de overtocht zouden maken.

In ‘de Hoek’ bleef het stil. De populatie groeide ongemerkt tot 27 exemplaren in 2008. Hoekenezen kenden de huiskraaien vooral van rond het Vispaleis en de fietsenstalling bij het station en verwarden ze meestal met kauwtjes. Niemand die er last van had. De kaasboer wierp ze soms een blokje toe, anderen strooiden brood. Nee, dan de zilvermeeuwen. Patat uit de bakjes vreten, vuilnisbakken leegtrekken. Die waren pas brutaal.

Toch moesten de huiskraaien dood. Diplomatieke druk vanuit Engeland zou een rol hebben gespeeld, net als nieuw Europees beleid dat inheemse soorten moest beschermen tegen ‘invasieve exoten’, schadelijke dieren van buiten die niet op eigen kracht de grens zijn overgestoken.

In Weert was de Pallas’ eekhoorn uit China een ware plaag. In Baarlo vernielden de Amerikaanse brulkikkers uit het tuincentrum een van de mooiste vijvers van het land. Er kwam een Team Invasieve Exoten, opgericht door het toenmalig ministerie van Landbouw. Zag het team in eliminatie van de alom aanwezige halsbandparkiet geen heil meer, in die van de huiskraai des te meer.

Het team liet een risicoanalyse uitvoeren naar de Hoekse populatie door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Die tekende onbedoeld het doodvonnis door te schrijven dat hoewel de populatie klein was en van overlast geen sprake, mógelijke overlast door mógelijke exponentiële groei van de populatie, gezien de voorbeelden in het buitenland, niet kon worden uitgesloten. En zo landde de huiskraai als ongewenste asielzoeker op Bijlage 1 van de Regeling Beheer en Schadebestrijding Dieren, tussen de rosse stekelstaart en de Siberische grondeekhoorn.

Als de populatie in Hoek van Holland werkelijk tot een plaag zou kunnen uitgroeien, zeggen sommige deskundigen, dan was dat in de afgelopen twintig jaar al lang gebeurd. Het gebeurde niet. Mogelijk was het de natuur die een evolutionaire barrière opwierp, vond ze een incestgezin van 27 wel voldoende. Misschien was de concurrentie van de ekster en de kauw gewoon te groot.

Op filosofisch niveau was intussen discussie losgebarsten over wat een ‘exoot’ in deze samenleving eigenlijk nog is. Was niet iedereen wereldburger? Heet dit niet gewoon evolutie? Was Columbus dus ook een invasieve exoot?

Op de markt in Hoek van Holland ging het vooral over de positie van de allochtoon. ‘Van onze huiskraai blijf je af’, was de teneur. „Nijlganzen, schiet die maar af”, zei een man bij de viskraam. „Dát zijn buitenlanders.”

En even leek het erop dat de huiskraai het misschien toch zou redden. Op een ander lijstje van het ministerie stond de huiskraai als beschermde inheemse diersoort genoteerd. Een foutje, betoogde de overheid. In een ultieme reddingspoging vocht Faunabescherming Nederland het besluit nog aan, maar in 2013 oordeelde de Raad van State definitief: de huiskraai mag dood.

Geboren met vangdrang

De marechaussee is afgetaaid en het eerste ochtendlicht breekt door. Het is maart 2014. Verheugd kijkt de jager, Arie den Hertog uit Lelystad, vanaf het treinperron de hemel in. Hij steekt zijn vinger op. „Je hoort ze, de kraaien. Ze worden wakker. Prrrr prrrr.”

Den Hertog verlegt zijn blik naar de daken rondom het winkelcentrum. Hij weet waar ze slapen. Verderop. In een boom bij iemand in de achtertuin. Eerst vliegen er altijd één of twee uit om te verkennen, daarna pas de rest. „Ja, kijk! Zie je ze daar? Kakakakaka.”

Hij wijst naar een zwerm vogels hoog boven de Zeeman. „Dit zijn huiskraaien. Grote vleugels, lange staart.”

De deceptie na die lege kooien op het dak is alweer verdwenen. Hij had er al weinig fiducie in. Liever had hij ze ook op het dak van een flat bij het winkelcentrum geplaatst. Maar de eigenaar van de flat had geweigerd, bang voor de toorn van de gemeenschap. Den Hertog, in bezit van een ontheffing, had het kunnen doordrukken, maar dat leek hem in dit stadium van de jacht niet slim. Een jager in dichtbevolkt gebied moet laveren, zeker in Hoek van Holland.

Den Hertog, veertig jaar oud, is wel wat gewend. Hij is naar eigen zeggen de enige in Nederland die „op niveau” vogels bestrijdt. Geboren met vangdrang had >> >> hij op zijn vijfde zijn eerste muis te pakken. Later schoot hij de postduiven van de buurman en op zijn achtste bedacht hij dat het slimmer is om de klapklem haaks op de plint te zetten dan parallel, zodat de muis aan twee kanten bij het kaasblokje kan.

Nu jaagt hij al vele jaren in opdracht van overheden en bedrijven op ‘overlastgevende’ dieren in dichtbevolkt gebied. Hij ving duiven op de Dam, meeuwen op de Maasvlakte. De telefoon van Den Hertog staat vol filmpjes van grauwe ganzen rondom Schiphol die in colonne met honderden tegelijk zijn val in lopen, gevolgd door foto’s van zijn kinderen lachend naast een ganzenbout thuis in de pan.

De Dominomus

Jager Arie den Hertog verwierf wereldfaam toen hij in 2005 in de hal van Domino Day een verdwaalde mus omlegde die daags voor de recordpoging al 23.000 dominostenen had omgegooid. Had hij gemist dan had hij van de mus, zittend op een spant bovenin, een ongeleid projectiel gemaakt met mogelijk nog meer dominoschade tot gevolg. Maar hij schoot raak, een batterij televisiecamera’s prikkend in zijn nek. Een borstschot, in één keer dood. De ‘Dominomus’ werd een museumstuk en de prestatie haalde CNN. Het leverde hem naast lof wereldwijd enkele duizenden doodsbedreigingen op.

Ja, de jager is wel wat gewend. Na het vergassen van duizenden ganzen op Texel vloog eens de loods bij zijn huis in brand, leuzen stonden op de muren. Zijn auto is eens volgeplakt met stickers, de uitlaat van zijn auto dichtgesmeerd met purschuim. Over zijn bedrijf Duke Faunabeheer stelt de Partij voor de Dieren geregeld Kamervragen. Maar wat weten mensen nu van dieren? Marianne Thieme wordt altijd geloofd, terwijl het beperken van dieren soms echt nodig is. Het liefst knuffelen mensen alle dieren dood.

Of ook die huiskraaien nu zo schadelijk zijn? Het gaat hem om de eer. De opdracht die hij kreeg van provincie Zuid-Holland om de 27 huiskraaien in Hoek van Holland te beperken noemt hij „een topuitdaging”. De moeilijkste klus uit zijn carrière. Dan stop je niet voordat je ze allemaal hebt.

Het finale oordeel van de rechter in 2013 had veel vogelspotters wakker geschud. Voor hen was Hoek van Holland even middelpunt van de wereld. Dagelijks postten groepjes vogelaars uit binnen- en buitenland met camouflagelenzen in het gras van de vluchtheuvel tussen de viskraam en het station. Was voorheen niemand in de huiskraai geïnteresseerd geweest, nu de populatie dreigde te verdwijnen beseften ze dat de soort nog op hun lijstje ontbrak. Vogelaars houden van afvinken.

Het was in die periode dat onder de bevolking ook het eerste lokaal verzet ontstond. Een groepje Hoekenezen demonstreerde begin 2013 met een spandoek onder het afdakje van de bushalte, schuilend voor de regen. Diergaarde Blijdorp en het lokale vogelasiel konden niets meer betekenen. En toen de spanning over de aanstaande jacht begon te stijgen, trok inwoner Karel Gort, een man met klein rond brilletje, de stoute schoenen aan.

Hij belde Arie den Hertog op en zei ‘Hallo, met meneer van Drongelen van het Hoekse krantje. Bent u van plan vóór of na het broedseizoen te beginnen?’ De reactie van de jager was afhoudend geweest. Karel Gort voerde de huiskraaien intussen elke middag bij het fietsenhok afbakbroodjes van de Lidl, niet wetende dat de jager ’s ochtends hetzelfde deed. Hondenbrokken.

Het voeren was voor Karel Gort onderdeel geweest van een groter plan: het masterplan van vogelactivist Norman Deans van Swelm. Die had de publiciteit gehaald als woordvoerder van het zelfopgerichte Comité Huiskraaien Onderduik. Een paar exemplaren laten onderduiken zou de hele jacht zinloos maken, was zijn idee.

Maar dan moet je ze wel eerst vangen. Karel Gort haakte af toen een tweedehands schietnet op Marktplaats al 1.300 euro bleek, nog exclusief de CO2-patronen.

Het echte verzet kwam ook niet van hen. Dat zou later pas komen. Uit onverwachte hoek.

Vertrouwen winnen

Hoe moeilijk het vangen van huiskraaien is, had jager Arie den Hertog al bij zijn eerste vangpoging gemerkt, 27 januari 2014. Wekenlang had hij de huiskraaien gevoerd voordat hij bij de fietsenstalling voor het station een poging met het schietnet ondernam. Vertrouwen winnen en dan plots toeslaan, dat is zijn tactiek.

Een meisje uit Hoek van Holland was die dag ooggetuige en bracht op Facebook verslag uit:

‘Vanochtend op het station stonden we met ongeveer vijftig man te wachten op een trein die (weer eens) vertraging had. Ik zag een mysterieuze man lopen aan de overkant van het spoor die opeens zaadjes op de grond gooide. Er kwamen allemaal vogels op af en vlak daarna klonk een onwijs harde klap (sommige mensen gingen gillen en ik dook zelf weg). Opeens zat een net over die vogels en vlak erna waren ze dood. Vervolgens lopen twee mannen vrolijk naar de vogels toe, proppen ze in een bak en gaan er vandoor. Wat is dit?’

De afstand tussen het schietnet en prooi was 3,65 meter geweest, voor Arie den Hertog net 50 centimeter te veel voor een optimaal resultaat. Maar hij was al als een kind zo blij dat die achterdochtige kraaien eindelijk eens naar de grond kwamen toen hij ze voerde, dus toen het moment daar was dacht hij: schieten. Een schamele zes stuks was de score. Het vertrouwen van de groep herwinnen kon weer weken duren.

Nu plan A (schietnet) niet heeft gewerkt en plan B (vangkooien) evenmin, heeft de jager zijn besluit genomen. Het is tijd voor Plan C. Afschieten. Desnoods midden in het dorp.

Verzet

In een rijtjeshuis achter het winkelcentrum opent Michiel Frowein zijn tuindeur. Hij wijst naar de boom. „Kijk, daar zijn ze.” Geschrokken vliegt de zwerm huiskraaien op uit het loof naar een boomtop verderop.

Het is alweer maanden geleden dat de jager bij het station afdroop met veertig lege kooien. Inmiddels is hij begonnen met schieten en zijn de eersten omgelegd. Nog sneller zou het gaan als de jager ze kon opzoeken bij hun slaapverblijf. Maar de huiskraaien hebben de veiligst mogelijke plek in Hoek van Holland uitgekozen voor hun nachtrust: de boom in het postzegeltuintje van dierenvriend Michiel Frowein. Een sterke kerel met grijze ringbaard en een gouden oorbel.

Een betere beschermheer hadden de kraaien zich niet kunnen wensen. Want laat Frowein nu net als keurmeester in de bloemen zijn wegbezuinigd, waardoor hij zich voor de volle 100 procent kan inzetten voor de goede zaak.

„Een gelukje voor de kraaien”, noemt hij het zelf. En pech voor jager Arie den Hertog, door hem steevast ‘Duke’ genoemd.

Frowein maakt zich sterk voor de kraaien sinds hij de ANWB-Vogelgids aanschafte en ontdekte dat die zwerm vogels in zijn boom de enige is in heel Europa. Koolmeesjes en musjes, „het kleinere spul”, voerde hij al tweemaal daags pinda’s en havermout. Voor de huiskraaien kwam daar nu een blok jonge Edammer van de AH bij.

„Jahaa”, zegt hij, „die kraaien zijn echte kaaskoppen.” Des te wranger dat ze dood moeten, vindt hij. De kraai heeft net zoveel recht om hier te toeven als elk ander dier. „Maar de huiskraai valt niet in het Nederlandse kadertje, hè.”

Dieren, vertelt Frowein, waren voor hem als kind al een baken in een hectisch leven. Vader zat op de grote vaart, was veel van huis. Na de scheiding van zijn ouders >> >> raakte Frowein, op het punt van doorbreken in de tennissport, aan de drank en de drugs. Pas jaren na de geboorte van zijn eigen zoon kon hij de rust in zijn leven weer vinden. En al die tijd waren dieren zijn beste maatjes. Ze gaven hem affectie. „Kijk maar eens in de ogen van een dier, dan voel je de warmte.”

Maar die kraaien zijn zó kansloos, dat maakt het emotioneel. Hij voelt het alsof de kraaien hun machteloosheid hebben overgedragen op hem. Want Frowein ziet er misschien ruig uit, in wezen is hij een gevoelig mens. Even heeft hij overwogen om in hongerstaking te gaan. Maar in plaats van stilzitten koos hij voor de aanval.

Frowein trekt de tuindeur achter zich dicht en hijst zich in zijn combatoutfit. In legerbroek en leren jack, US Airborne-pet op, loopt hij de voordeur uit en neemt plaats op zijn Tomos-brommer met fietstas. Klaar voor zijn dagelijkse patrouille door de buurt. Op jacht naar het busje van ‘Duke’.

„Chiel, succes!” roept een fietser als Frowein op zijn brommer langsrijdt.

Ze herkennen het busje

Om twee uur ’s middags stopt het busje van Duke Faunabeheer op de ‘bootjeskijkboulevard’. De collega van Arie den Hertog kijkt om zich heen, opent vlug de deuren van het laadruim, vult het luchtdrukgeweer met 180 bar en gaat weer zitten op de bijrijderstoel. Het geweer met demper rustend op zijn schoot. De rij bootjesspotters, urenlang in geparkeerde auto’s turend naar het water, heeft niets gezien.

Vanachter het stuur belt Arie den Hertog de politie, standaardprocedure om gedoe tijdens het werk te voorkomen.

„Goedemiddag met Duke. We gaan vanmiddag weer achter de huiskraai aan in Hoek van Holland.”

„Wat, een kraai?” Het duurt even, dan: „Hoe laat gaat u starten?”

„Nu, tot één uur, zo’n beetje.”

Door de telefoon klinkt getyp. „Het gaat om huiskraaien, hè?”

Arie den Hertog wacht geduldig af.

„Oké, ik ga het erin zetten.”

Den Hertog hangt op en begint te rijden. Hij probeert opgewekt te blijven, maar de jacht loopt al niet zo voortvarend de laatste tijd. Dat ligt deels aan die verdomde kraaien die zijn busje inmiddels herkennen en telkens hoog boven de bomen blijven vliegen. De kraaien zijn nog slimmer dan hij dacht. Verdachte bewegingen, plots stilstaan, een blik omhoog; ze hebben alles door. Van boven ziet de wereld er nu eenmaal overzichtelijk uit. Je ziet de mens in principe continu bewegen. Elke afwijking is verdacht.

En dan zit Den Hertog ook nog eens „te rommelen met de tijd”. Dan jaagt hij ’s ochtends, dan weer overdag. Maar om twee uur ’s middags met een geweer op schoot door het winkelcentrum, dat is geen pretje.

Het is niet anders. Die kerel met zijn brommer, die tijdens het jagen almaar voor hem blijft rijden, laat Den Hertog geen andere keus. Zeker niet nadat de confrontatie met die vent laatst leidde tot een hoop herrie.

Zachte knallen

De ontmoeting tussen jager en beschermer, maart 2014, was toeval geweest. Had Frowein niet om zeven uur ’s ochtends zijn tuindeur geopend om de vogeltjes te voeren, dan had hij die twee knallen in de verte nooit gehoord. Zachte knallen waren het, licht kaliber, 5,5 millimeter, als die van een luchtbuks. In volle vaart rende Frowein in de richting van het geluid.

Daar, op de parkeerplaats bij clubhuis Matchpoint, bij de hoge dennenbomen naast de tennisbaan, zag hij ‘Duke’ staan. Die had zijn geweer alweer in de aanslag, klaar om nogmaals aan te leggen. Een andere man stond ernaast.

„Stelletje doodskoppen! Opdonderen! Dierenbeulen!” riep Frowein rennend. Beetje inspelen op hun emotie was de bedoeling. Achteraf, denkt hij, had hij beter zijn mond kunnen houden, dan had hij het geweer zo kunnen afpakken. Nog mooier was geweest als hij hun knieschijven had kunnen bewerken, waardoor ze helemaal niet meer konden uitrukken.

‘Duke’ en de andere man wilden naar hun bus teruglopen, maar zomaar liet Frowein ze niet gaan. Hij ging voor ze staan en een beetje draaien, dreigen, rommelen, lopen, doen. Hij vroeg ze om hun vergunning en belde ter plekke met RTV Rijnmond om te zeggen dat hij „die mensen hier op heterdaad” had.

Frowein legde direct een telefonisch interview af en zag hoe de jagers de getroffen vogels – twee stuks – uit het struikgewas probeerden te halen om het bewijsmateriaal weg te poetsen. Tevergeefs. Frowein wist ze hun busje in te jagen en bleef ze volgen tot bij het station.

De verbazing was des te groter toen hij even later samen met de lokale fotograaf in de bosjes zocht naar de slachtoffers. Het eerste lag dood op de grond met zijn vleugels naar beneden. Het tweede vond hij even later hangend in de boom, nog levend, getroffen in zijn poot. Dat was geen huiskraai nota bene, maar een kauw.

Ruim een uur heeft de kauw gehangen in de boom, totdat hij door een windvlaag naar beneden viel en de verzamelde pers kon vastleggen hoe Frowein de dode kauw met kapotte poot omhoog hield. ‘Woede in Hoek van Holland om afschieten huiskraaien’, stond prominent in de lokale krant. De kauw was dood en een nieuw symbool van de hetze tegen de huiskraai geboren. Het incident reikte tot in de Tweede Kamer, waar Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren de minister vroeg: „Kent u het bericht ‘Woede in Hoek van Holland om afschieten huiskraaien?’” >>

>> Rustig! Rustig!

Het busje van Arie den Hertog slaat af richting centrum. Speurend naar de hemel rijdt Den Hertog langs het Brinkplein en de Zeeman door een woonwijk zo naar de parkeerplaats bij tennisclub, waar een kwartet ouderen aan het dubbelen is. Met draaiende motor en één hand op de pook tuurt hij door de voorruit omhoog.

„Hier gebeurde het”, zegt hij. „Ik zag ze allemaal zitten in de boom en dacht: ták. Maar je hebt geen drie seconden. Je moet kijken of er niemand aankomt en intussen richten. Maar toen bleef die ene dus hangen, dat heb je normaal nóóit. Paniek, want als die op de grond zou vallen, waren ze meteen allemaal weg. Ik moest snel de beslissing maken, maar die tweede kans benutte ik dus verkeerd. Dat was een kauw. M’n collega wilde ’m opruimen maar toen kwam die man aangerend, twee meter lang. Ik zei ‘rustig, rustig’. Ik ben wel wat gewend. Maar hij zei ‘als ik je nog eens terugzie leg ik een blok hout in je nek’.

De collega: „Je kijkt zo’n man in de ogen en denkt: is dit echt of niet? Ik dacht: dit is bluf. Dan ga je in discussie. Nooit wegrennen, dan voelt hij zich machtig. Dat moet je zien te voorkomen.”

Den Hertog: „En dan vindt zo’n vent later ook nog eens die kauw. Dat is Murphy’s Law.”

Opgewonden wijst hij de hemel in. „Daar komen ze!” Zachtjes begint hij weer te rijden. „Als ik ze toch eens dood kon kijken, dan was ik al lang klaar geweest.”

Posters

„Ze zijn wel even genezen hoor, die Dukes”, zegt Frowein vanaf de brommer. Zijn dagelijkse patrouille leidt langs Remco van de raspatat en door de duinen. Overal op de route hangen posters met teksten als ‘Steun de kraaien’ en ‘Stop de kraaienmoord’. Frowein heeft ze zelf geplakt op bomen, muren en abri’s, plekken waar vooral veel toeristen komen. Dan maken die Chinezen er een foto van en denken ze thuis: joh, wat staat dáár nou?

Vandaag lijkt ‘Duke’ er niet te zijn. Geeft niks, genoeg te doen. Bij de hamburgertent van Ina stapt Frowein van zijn brommer en grijpt naar zijn fietstas. Hij pakt er een poster uit, bijt met zijn tanden een stuk tape af en plakt hem midden op de deur van de zaak, die nog gesloten is. Ina, zegt hij met een grijns, is niet zo’n liefhebber van de kraaien.

En hup weer verder, de woonwijk in. Frowein passeert een speeltuin, steekt een weg over en kijkt vertederd naar twee vogeltjes op de grond. „Aah , ze kunnen zo lekker tegen elkaar aan kruipen.”

Op de Duinweg stopt een blauwe Fiat Punto, een vrouw met rood haar en een zonnebril stapt uit. „Hé, ben jij Chiel? Ik zag het aan je legerbroek.” Ze herkent hem van de foto in de krant. „Ik denk dat ik de jager net zag.”

Frowein: „O, wat voor auto?”

„Ja dat moet je een vrouw niet vragen.”

Sabine Rietkerk heet ze. Als kind thuis had ze tamme kauwtjes, haar eerste spreekbeurt ging over kraaiachtigen en ze is vega. Nadat haar vader haar wees op de huiskraai heeft Rietkerk haar hart aan de vogels verpand. „Ik vind het goud.” En nu moet ze haar jongste kind vertellen dat ze worden doodgeschoten! Ze kan er met haar pet niet bij.

Na een vergeefse zoekronde stoppen de twee bij Frowein thuis. Uit de schuur haalt hij de neergeschoten kauw met loshangende poot. Hond Bolle wordt er wild van. „Gisteren uit de vriezer gehaald.”

„Ik kan zo weinig in m’n eentje”, zegt Rietkerk. Hoe kunnen ze die jager nu stoppen?

Ideeën passeren de revue: een burgerwacht, webcams op de bomen, een zendertje onder de auto van de jager.

Rietkerk stelt voor de boel op te hitsen op internet. „Ik ben al druk met Twitter en ik kan zo een Facebookpagina voor de huiskraai oprichten, geen enkele moeite.”

Goed plan, zegt Frowein. „Iemand moet het voortouw nemen.”

Nog twaalf

In de maanden erna leek de jager aan de winnende hand. Michiel Frowein kreeg een nieuwe baan en moest het patrouilleren staken. Sabine Rietkerk had een netwerkje van mensen opgericht die elkaar inlichtten als ze het busje van Duke Faunabeheer zagen. Alleen, ook zij hadden weinig tijd.

En zo wist de jager er telkens eentje af te snoepen van de zwerm, die inmiddels nog maar twaalf huiskraaien telde. Kwam Rietkerk de jager tegen, dan ging ze demonstratief naast hem staan. Tot haar grote frustratie bleek het dan nog best gezellig. De jager was vriendelijk en bleef uiterst correct.

Duidelijk was dat de huiskraaien het zo niet gingen redden. Het verzet moest over een andere boeg. Professioneler. Rietkerk organiseerde een petitie tegen afschieten van de huiskraaien en haalde 1.430 handtekeningen op. Alleen, aan wie bied die je aan? De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de directe opdrachtgever, verwees naar Gedeputeerde Staten en die weer naar de minister.

„Zo gaat het met petities vaker”, zegt Carla van Viegen van de Partij voor de Dieren (PvdD) in haar brandschone werkkamer vol knuffeldieren. Want wie de petitie aanneemt, erkent verantwoordelijk te zijn.

Als lid van de Provinciale Staten kent de geparfumeerde vrouw met rode nagellak en witte sjaal de politieke weg als geen ander. Ze hielp Rietkerk met de petitie, die twee ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken in mei vorig jaar in ontvangst namen. Een belangrijk mediamoment. Daarna ontving Rietkerk op haar beurt van de Partij voor de Dieren een Oorkonde voor bewezen diensten. Opnieuw zo’n moment.

Aandacht, zegt Van Viegen, daar gaat het om. De Partij voor de Dieren is in Zuid-Holland maar een eenmansfractie, en dan ook nog ter verdediging van een niet-menselijk belang. Dan moet je slim zijn om de agenda te bepalen. Publiciteit telt, net als timing, en geduld. Vrouwelijk geduld. Neem al die mannen van die politieke splinterpartijen die zich voortdurend overschreeuwen en ten ondergaan. De Partij voor de Dieren bouwde de afgelopen jaren gestaag uit tot een duurzame beweging in het land.

Bij Carla van Viegen begint de geoliede machinerie ’s ochtends aan een opgeruimd bureau. Op haar toetsenbord legt de fractieassistent de ingekomen ontheffingen voor jagers neer, zoals die van reeën, meeuwen en ook de huiskraaien in Hoek van Holland. De PvdD vraagt natuurorganisaties vervolgens om bezwaar in te dienen, dat mag een politieke partij niet zelf.

Intussen probeert Van Viegen in de wandelgang draagvlak te creëren. Even bij GroenLinks of SP langs om te polsen >> >> of ze wat in een motie zien. „Ik bereid het wel voor”, zegt Van Viegen dan. „Jullie hoeven alleen maar te tekenen.”

Over de huiskraaien heeft de Partij voor de Dieren al zeventien Kamervragen gesteld. Antwoorden kunnen juridische munitie opleveren om een ontheffing aan te vechten. En telkens kan er weer een persbericht uit naar de media, „voor de bewustwording”.

Of de media ze oppikken hangt af van het dier. Herten doen het altijd goed, paarden nog beter. Zouden in Hoek van Holland 27 exotische paarden op de afschotlijst staan, dan was het zeker tot volkswoede gekomen. Maar de huiskraai is geen paard.

„Voor de huiskraai wordt het lastig”, zegt Van Viegen. „Daarom zeg ik tegen de mensen in Hoek van Holland: blijf doorgaan. Dan blijft het in de aandacht.”

Poepverse huiskraaien

Een jager moet dieren te slim af zijn, soms ook de mens. De tactiek van de jager werd: wachten. Niet één of twee maanden. Niet drie, vier, vijf, zes maanden. Nee, bijna een heel jaar. Zie de aandacht dan nog maar eens vast te houden.

Frowein hield lang vol. Hij bleef posters plakken. Zelfs een vervelend kereltje op de fiets dat hem geregeld achtervolgde en de posters eraf trok, kon hem niet stoppen. Eerst hing Frowein de posters wat hoger, maar toen het kereltje ze alsnog met zijn wandelstok eraf wist te peuteren, had Frowein er genoeg van. Hij smeet hem met fiets en al de bosjes in.

Toch moest hij stoppen met plakken, vanwege zijn achillespees. Een stuk glas in zijn hiel, nog van zijn periode als glastuinbouwer, was begonnen te kruipen. Hij moest worden geopereerd.

Ook Sabine Rietkerk hield vol. De jager had er wel respect voor. Iemand bijna net zo fanatiek als hij. Maar toen ze in april dit jaar de antwoorden binnenkreeg op haar verzoek op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB), waaruit bleek dat de jacht al meer dan 10.000 euro had gekost, kreeg ze het toch benauwd. De PvdD ging er Kamervragen over stellen. Wéér een mediamoment. ‘Hartstikke leuk’, schreef ze op de Facebookpagina van de huiskraai, maar ‘juist nu er een wapenstilstand lijkt te zijn...geen slapende honden wakker maken...’.

Wat ze niet wist was dat de hond al klaarwakker was. Precies op de dag dat Rietkerk haar nervositeit deelde met de wereld, reed jager Arie den Hertog tevreden richting de catacomben van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, vijf poepverse huiskraaien achterin zijn bus.

Prepareertafel

„Hart.”

„Nier.”

„Lever.”

„Milt.”

Bij elk steekwoord overhandigt de man met het scalpel een orgaan aan zijn collega. Die stopt het met een pincet in het juiste buisje. Vooral bij de hersenen is dat proppen. Hersenen zijn een soort snot, daar krijg je geen grip op.

Op de prepareertafel van ruimte K01 liggen de vijf kraaien al uit hun jasje netjes op een rij. Een voor een worden ze gevild. De organen gaan naar het Erasmus MC voor virologisch onderzoek, de veren krijgen een wasbeurt met Robijn, de enige die het verendek echt mooi zacht krijgt. Daarna worden de kraaien gevuld met onbewerkt katoen en verdwijnen ze gedroogd op een stokje in de collectie bij de andere huiskraaien die Arie den Hertog al heeft binnengebracht. Nu 22 in totaal.

Conservator Kees Moeliker van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam sprong er bovenop toen hij in 2013 hoorde dat de enige populatie huiskraaien in Europa verdelgd zou worden. Of dat echt nodig was, vroeg hij zich wel af.

Hij vond het hoe dan ook belangrijk dat de kraaien behouden bleven voor onderzoek. Waar komen ze vandaan? Klopt het dat exoten vaak ziekten meebrengen? Stamt deze populatie werkelijk af van één paartje? En er past er zeker wel eentje in de vitrine naast de Dominomus, de necrofiele eend, de windmolenpelikaan (gekortwiekt door een windmolen) en de McFlurry-egel (de eerste egel die in Nederland is gestikt in een McFlurry-bakje).

Kees Moeliker zocht via via de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit contact met Arie den Hertog en sindsdien rijdt de jager na elke vangst langs Rotterdam, de huiskraai soms gevouwen in een Metro. Hij drinkt er een kop koffie en vertrekt weer.

Goede vriend Erwin Kompanje vroeg hij om samen met hem de huiskraaien te conserveren en te bemonsteren voor nader onderzoek. Het is Kompanje die zelfs van een road pizza – een platgereden dier – nog iets toonbaars weet te maken, Moeliker registreert de gegevens en assisteert de preparateur.

Kompanje kocht als scholier een leerboekje over prepareren en plaatste een advertentie: ‘25 gulden voor het opzetten van uw cavia’. De verdiensten bleken vele malen groter dan een krantenwijk.

Nu doet hij het voor zijn plezier. Sinds 1989 staat Kompanje samen met Moeliker op dinsdagavonden aan de prepareertafel in de kelder van het museum, omringd door skeletten, gepruttel, sterk water en rottend vlees. Ruimte K01 is de enige plek waar Moeliker de schoonmaker niet laat komen. Dat wil hij haar niet aandoen.

„Long.”

„Cloaca.”

„Twaalfvingerige darm.”

Prepareren en bemonsteren is een soort mediteren, het kan alleen in een flow. Geen geouwehoer, geen muziek, geen koffiepauzes. In één keer door. Je kunt het met al die nummertjes en buisjes maar één keer goed doen. En als een vogel niet lekker geschoten is, moet je wroeten in een bloederige massa van stolsels op zoek naar het juiste stukje vlees. ‘Pffff, drama!’ zegt Erwin dan.

Met een schaar knipt Erwin de maag open. Er komt iets geligs uit.

„Pinda?” vraag Kees.

Erwin twijfelt.

Moeliker stopt het in een wekpot. „Gaan we nog eens thuisbrengen.”

De uitslagen van het DNA-onderzoek verwacht Moeliker pas als alle kraaien binnen zijn. Voorlopige bevindingen over de populatie huiskraaien heeft hij al wel.

Ze houden van patat. En van pindasaus. Bij het opensnijden van de maag komt de geur je soms al tegemoet. Ook bruin brood en eierschalen uit de vuilnisbak zijn al herkend.

Het westerse voedsel doet ze geen kwaad, constateert Moeliker. Alle huiskraaien die op zijn tafel lagen waren goed doorvoede, verzorgde vogels met vleugels glimmend als een tierelier. Eén kraai had een leverabces, de rest was kerngezond. Geen infecties, geen parasieten. Geen teken. Zelfs geen luizen. Dat komt hij weleens anders tegen.

„Ah, ik heb hier nog een stukje hart.”

„En hier zijn ballen.”

„Flink ontwikkeld”, zegt Moeliker die vooroverbuigt en opmeet.

„Zó! Een bal van 21 bij 11 millimeter!”

Het is broedtijd, dus zijn de ballen van de huiskraaien enorm gegroeid. Ze zijn nu groter dan hun hersenen. Geen wonder dat de jager er in één klap vijf ving.

Nog vijf

„Hoor je ’m?” Arie den Hertog opent het raam, de motor draait. Zijn collega houdt het geweer op schoot verborgen onder een groene fleecetrui. Het is juni, 6.20 uur in de ochtend, de lantaarns in Hoek van Holland branden nog.

„Hier, komt-ie aan”, zegt Den Hertog opgewonden. „Fladderende vlucht.”

De collega heeft er weinig fiducie in. „Als we zo blijven staan gaat-ie heus niet zitten hoor.” >>

>> Den Hertog pakt het geweer en steekt de loop naar buiten. En weer naar binnen. „Ze zijn al weg.”

Na ruim veertig bezoeken aan Hoek van Holland is de strijd tussen de jager en zijn prooi nog altijd niet beslist. Vijf huiskraaien zitten er nog. De slimsten.

En als ze al niet slim waren, dan heeft de jager ze slim gemaakt. Voorheen hoorde de jager ze meteen brullen als hij met zijn bus langsreed. ‘Prrrr. Prrrr.’ De anderen waarschuwen. Maar dat gebeurt door de geringe groepsgrootte niet meer. Gewoon blijven vliegen, weten ze.

Bij het station komen de huiskraaien na de schietnetactie sowieso niet meer naar de grond. En met het busje van Den Hertog in de buurt cirkelen ze liefst hoog boven iedereen uit, dan is elk schot kansloos. Met drie verschillende auto’s heeft de jager het al geprobeerd. Hadden ze gelijk door.

Het komt nu aan op een gelukje. Aan vijf seconden heeft Den Hertog genoeg. Soms krijgt hij die kans. Dan is er toch ergens een die even gaat zitten.

„Zelfde rondje?”

Station, villawijk, boulevard, tennisbaan. Den Hertog knikt en begint te rijden. Het motregent, de collega opent zijn broodtrommel.

„Zó man, levenworst ofzo?!”

„Spek.”

Bij het station gooit hij een stukje boterham uit het raam. „Beleg krijgen ze niet.”

De jager grijpt naar zijn verrekijker. Tachtig meter verderop, achter een wit huis, daar vliegen er twee.

„Proberen, één schotje.”

Landen doen ze nog niet. „Opschieten dan, krengen.”

„Ja, in de landing.”

Den Hertog pakt het geweer en steekt de loop naar buiten. En weer naar binnen. „Toch niet.”

Op dezelfde plek heeft hij even later vier vogels op een straatnaambord in het vizier. Drie kauwtjes en één twijfelgeval. Is het een huiskraai? In de auto barst discussie los. Maar net als Den Hertog wil aanleggen torent boven een geparkeerde auto in de schootslijn het knotje uit van een geblondeerde vrouw met hond. Den Hertog laat zijn geweer weer zakken.

07.35 uur, in de villawijk vinden ze een nest. „Kieskeurige beesten”, zegt Den Hertog lopend met de geweerkoffer in zijn hand langs het dennenbos.

Ze besluiten het nest in de grove den nog even te laten zitten en lopen terug over het pad richting busje. Halverwege kijkt een hondenbezitter met grijs haar de jager met zijn geweerkoffer strak aan.

„Kraaienschieten? Ga je zeker wel trots naar huis vanavond, hè?! Wálgelijk! Wat een wánvertoning!” Den Hertog loopt langs en negeert de vrouw.

„Ik hoor er nog één”, zegt Den Hertog terug in de auto. Het is 9.18 uur en bij het station vliegen twee huiskraaien plots rechts boven het busje. Eén gaat zitten op de bedrading van de rails. Den Hertog positioneert zich op de achterbank, legt aan vanaf de stoelleuning en stelt het vizier scherp op vijftig meter afstand. Zijn gezicht staat gespannen, zijn hart voelt hij kloppen in zijn borst. Zoeken, zoeken in de kijker. Doelwit gevonden. Trekker overhalen.

‘Páng!’

Het geluid van een gesprongen veer, de geur van metaal door de cabine. Geen voorbijganger die wat heeft gemerkt.

De kogel vloog twee centimeter over de vogel heen en moet ergens in het water zijn beland. De vogel is gevlogen. Den Hertog houdt het vandaag voor gezien. „De volgende keer kom ik wel weer met de auto van mijn vrouw, zo’n klein zwart dingetje. Misschien dat het helpt.”

Epiloog

Nadien wist de jager nog één huiskraai te vangen. Michiel Frowein en Sabine Rietkerk bleven contact houden en ook het clubje dat signaleerde wanneer de jager opdook, was nog levend, zoals ook de woede onder Hoekenezen. „Waanzin”, zeiden ze unaniem als je over de jacht begon.

De eerste herfstzon van 2015 schijnt over perron drie van station Hoek van Holland-Haven. Er staat een busje geparkeerd met koffie en thee voor de marechaussee. Die hebben het druk zat sinds de vluchtelingencrisis. In de verte, hoog boven het winkelcentrum, vliegen vier zwarte vogels.