Beestachtige maîtresse

Een poes – net als een vrouw – brengt de man in contact met het raadsel van het bestaan. Een poes is wel makkelijker.

Illustratie Tammo Schuringa

Het asiel van Sliedrecht had een idee voor een kalender, om fondsen te werven: ‘Sexy Hunks met poes’. Opmerkelijk gespierde mannen poseerden met een door het asiel uitgeleende kat. Na het succes vorig jaar komt er voor 2016 opnieuw zo’n kalender, nu met bekende, mannelijke Nederlanders. Wie Carlo Boszhard met blote bast en poes een maand aan de muur verdraagt, mag hem zich niet laten ontgaan.

De idylle man-poes bloeit. Neem de Tumblr-pagina ‘Boys with beards with cats’. Hier geen ‘sexy hunks’ – het kan toeval zijn, maar de meeste boys met poes lijden aan overgewicht. Maakt niet uit. „De man-met-kat is een type man dat ik zeer waardeer. Hij is zorgzaam”, zei de in man-met-poes gespecialiseerde fotografe Marieke Plasier in deze krant. Haar motivatie: „Omdat mannen met katten over het algemeen aardige mensen zijn.”

‘Aardig’. Niet per se een deugd waarop een man zich laat voorstaan. Een miskenning ook van de rol die de poes in een mannenleven spelen kan. Jihad-strijders van de Islamitische Staat laten zich graag met poezen fotograferen. Tussen kalasjnikovs en kisten munitie wordt liefdevol menig schoteltje melk klaargezet. IS had er zelfs een aparte twitter-account voor, @ISILcats, inmiddels gesloten.

Ook de jihadistische kattenliefde is volkomen verkeerd opgevat, als propagandistische misleiding: ergens zijn het best lieve jongens. Maar Mohammed zelf heeft de zorg voor de kat bevolen, zegt de legende. De profeet zou bij het aankleden eens een mouw van zijn mantel hebben afgeknipt. Op die mouw lag een kat te slapen, en die wilde hij niet storen. De kat is voor IS een bondgenoot in de strijd voor het ware geloof, al komt de poes in de Koran niet voor.

Evenmin als in de Bijbel trouwens. Het heeft, na de kattenverering in het Oude Egypte, eeuwen geduurd voordat de poes in onze cultuur een eervolle plaats innam. In de Middeleeuwen gold de kat als manifestatie van de duivel, net als heksen. Op zeventiende-eeuwse schilderijen van Jan Steen zie je de poes als marginale huisgenoot – een wezen dat eten van de tafel rooft, paart en slaapt en wordt getolereerd in de hoop dat hij als wederdienst af en toe een muis vangt.

Kattenboeken

De moderne kattenliefde – de poes als bron van fascinatie, voorwerp van zorg, kameraad, intimus – is een recente uitvinding van de negentiende-eeuwse Romantiek. Toen was er ook geen houden meer aan: voor de man is de kat is een fabeldier onder handbereik. „Zij strekken zich uit in hun nobele vormen,/ Van grote in eenzaamheid versteende sfinxen,/ Als verzinkend in een droom zonder einde”, schreef Charles Baudelaire in 1857. De Argentijnse dichter Jorge Luis Borges was in 1972 niet minder hooggestemd: „Je hebt je verwaardigd,/ altijd, al sinds onheuglijke tijden/de liefde van een menselijke hand te ontvangen./ In een andere tijd leef je./ Je bent de heerser van een wereld/ die gesloten blijft als een droom.”

Weinig onderhoud

De poes brengt de man in contact met het raadsel van het bestaan – precies wat je ook van een vrouw hoopt, meestal met mindere resultaten. Een poes is zoveel makkelijker. Het dier laat zich tegen een bescheiden vergoeding bij het asiel verkrijgen – er bestaan wel dure raskatten, maar die kunnen hetzelfde als een uit de goot gered exemplaar. Welke kat je ook in huis haalt, hij blijkt altijd een individu met persoonlijke kenmerken. Ze houden zichzelf schoon, zijn maar een beperkte periode krols, willen nooit ergens met je naar toe, kunnen goed tegen alleen zijn en vergen weinig onderhoud.

Poezen jokken niet – niet dat je merkt tenminste. Niemand heeft een poes ooit vermoeid ‘ik ook van jou’ horen zeggen, merkt poezenkenner Midas Dekkers op: „Een poes is je vrouw niet, een poes is je maîtresse”. Je weet nooit zeker wat een kat van je vindt, maar juist daarom gaat de gemiddelde poes langer mee dan de gemiddelde geliefde: „met een vraagteken valt beter te leven dan met een punt”. Er is natuurlijk wel een prijs: een kat gaat na je dood niet maanden ontroostbaar op je graf liggen. Een patholoog-anatoom liet mij eens een foto zien van een lijk dat wekenlang onopgemerkt in een woning had gelegen en waarvan het halve gezicht was verdwenen. Een gruwelijke geweldsdaad? Nee, de hongerige kat was, bij gebrek aan beter, aan het karkas begonnen.

Sindsdien bekijk ik mijn eigen kat – die bij het schrijven van dit artikel voortdurend hinderlijk over het toetsenbord loopt, liefkozing eisend – met enigszins andere ogen.

Veel wijst bij de poes op beschaving. Als kattenfokkers wat meer hun best hadden gedaan, vond Rudy Kousbroek, konden poezen al lang lezen en schrijven. De poes van de Engelse romanschrijver Charles Dickens doofde met zijn poot de kaars, als hij vond dat de gevierde auteur het ongezond laat maakte. Poezen hebben een apart geluid voor de omgang met de mens – het bekende miauw, dat in de omgang van katten onderling geen rol speelt. Zelfs gevoel voor decorum kan ze niet ontzegd worden. Mijn kat heeft mijn vriendin en mij hartelijk omhelsd, nadat we hem uit het asiel hadden opgehaald en het huis laten zien. Sindsdien heeft het beest dat wij schertsend de hoofdbewoner noemen het niet meer nodig gevonden op schoot te gaan zitten.

Deze schijnbare civilisatie is echter maar één kant van de poes, wiens animaliteit zich aan het menselijk begripsvermogen onttrekt. Zo zwol de mijne hormonaal op, toen wij de indruk hadden dat hij eenzaam werd en er een klein poesje bij hadden genomen. Hij nam de kleine meteen grondig onderhanden: leerde haar vechten, lokte haar naar warme slaapplaatsen, mepte haar uit voorzorg van het balkon waar hij zelf regelmatig afviel. Hij was moeder en minnaar tegelijk – een kras staaltje van gender bending voor een gecastreerde kater.

Aantrekkingskracht

Juist die beestachtigheid, en niet het zoetsappige kopjes-geven en spinnen, oefent grote aantrekkingskracht uit op mannen die het met vrouwen meestal maar moeilijk hebben. De in 1997 overleden Amerikaanse schrijver William Burroughs (drugs, schoot eigen vrouw dood) was gek op katten: „Als katten vechten, is de agressor altijd de winnaar”. De ruige, in 1994 gestorven Charles Bukowski, de meest misogyne schrijver ooit, wiens On women in de jaren tachtig wegens vrouwonvriendelijkheid uit Nederlandse openbare bibliotheken werd verwijderd, hield wel erg van poezen: „In mijn volgend leven wil ik een kat zijn: twintig uur slapen, op eten wachten en mijn eigen kont likken”.

Mannen kunnen zelfs als rivalen strijden om een kat. „Zeer terecht als je voor het vuurpeloton komt”, schreef in 1944 de Franse dichter Paul Léautaud aan schrijver Louis-Ferdinand Céline, die antisemiet en fout in de oorlog was, „maar mag ik dan je kat Bébert hebben?” Onverhoorde wens: Céline nam Bébert, de enige kat over wie ooit een volwaardige biografie is geschreven, mee op ballingschap.

Dus, dames, denk nog eens na voordat u valt voor een man-met-kat, denkend dat het een lieverd zal zijn. Misschien bent u wel beter af met een man met zo’n van aanhankelijkheid kwijlende hond.