Afdaling in het zwart

Joyce Roodnat

Over roofridders. Rembrandt. The Wolfpack. Sneeuwwitje. Andy Warhol.

De hand van Oopjen

Toch nog even iets over die Rembrandts. Nu ze samen van Frankrijk en Nederland zijn, mogen wij misschien kiezen welke we willen hebben? Ik kies voor de vrouw. Het gezicht kleintjes, de hand met de beurs schuchter, de neus rood: ze is bezig te leren om gezag uit te stralen. Belangrijk voor een vrouw van stand, sla Joop ter Heuls problemen er maar op na. Daar leert Joop het tegen wil en dank van dienstmeid Hillegonda.

De Rembrandts worden gekocht voor het Rijksmuseum en het Louvre, dus niet voor directeur Wim Pijbes persoonlijk, die soms wordt neergezet als een roofridder. Wat trouwens wel klopt, want aan een lauwloenen directeur hebben we niks. Pijbes is aangesteld om het Rijks beter maken. Interessanter. Geliefder. Erfgoedig-er. Ja, die miljoenen voor Rembrandt kunnen ook worden gespendeerd aan jeugdzorg. Of bejaardenverpleging. Of onderwijs. Aan alles wat geld kost en Nederlanders ten goede komt. Dus ook aan werk van Rembrandt van Rijn, wonderkind van onze Gouden Eeuw.

In het verleden gold het Rijksmuseum als een stoffig instituut – wat het helemaal niet was, maar rijen waren er nooit en meestal had je de zalen zo ongeveer voor jou alleen.

In de jaren negentig besefte directeur Henk van Os dat een bezoek aan het Rijks zo vanzelfsprekend niet was. Hij ging de boer op en legde onvermoeibaar uit dat de wegblijvers zichzelf te kort deden.

Ook met Pijbes zit er iemand die de kwaliteit van het Rijksmuseum onder onze aandacht schopt. Bijvoorbeeld met een gooi naar dat dubbelportret van Rembrandt uit Frans familiebezit. Nu twee niet lukt, deelt hij ze.

Nederlandse kenners legden uit waarom die doeken zo bijzonder zijn en de Fransen kwamen in het geweer – die willen ze hebben voor hun Louvre. Allemaal sterke aanwijzingen dat die doeken de moeite waard zijn.

Maar er wordt gemord. Bijvoorbeeld door een notaris in Oosterbeek die in een ingezonden brief in NRC de portretten weinig zaaks vindt. Te saai en te zwart. Te zwart?

Ja, zo kun je er ook tegenaan kijken. Tenminste, als je doet of Rembrandt met de verfroller de doeken inkleurde. Maar waarom zou je? Zelfs op de reproducties is te zien hoe flamboyant hij de zwarte kostuums van het paar schilderde, de val van de kostbare stoffen, de plooien, de borduursels – al dat zwart is er niet voor niets.

Saai is een subjectief begrip. Mij intrigeert deze afdaling in het zwart. En ik zie het ineens overal.

In The Wolfpack, de verbijsterende documentaire over een stel puberbroers die vanaf hun geboorte door hun vader in een armoedig New Yorks appartement gevangen zijn gehouden. In dat hol ontwikkelden ze zich door geweldfilms na te spelen. Voor de camera overwinnen ze hun angst voor hun vader. Ze kruipen naar buiten, van het donker naar het licht. En ze betreden de wereld als figuren uit die films.

Ook in de snerpende voorstelling Sneeuwwitje van het Noord Nederlands Toneel wordt in het zwart afgedaald. Daar laten theatermaker Ko van den Bosch en dansmaker Roni Haver het prinsesje belagen door vijf beroete breakdancedwergen. In de duistere mijn raakt de jager de weg kwijt en eet de boze stiefmoeder (Tamar van den Dop op haar best) zelf die appel op. Daar ook laat Sneeuwwitje het hele paleis omver donderen. Wat weliswaar licht brengt, maar dat komt uit een woestijn.

En dan die expositie Warhol Underground, in Metz, in de dependance van museum Pompidou. Die behandelt nou eens niet de haat-liefdeverhouding van Warhol met wereldberoemde film- en popsterren en met zichzelf. Hier gaan we terug naar het begin. New York, vroeg in de jaren zestig. Het zilver van de zwart-witfoto’s, het grijs van de films. Drugs, seks, exces. Andy Warhol omringde zich met nog onbekende mensen. Hij maakte kunst, de mensen uit zijn entourage raakten verslaafd aan zijn charisma. Via het zwarte gat van eenzaamheid en pose stegen ze boven zichzelf uit.

Zwart is een kleur. Zwart is een toestand. Zwart is een teken. Onderschat het niet, dat zwart.