Wat kun je nog wél, als supermacht?

Al voor de Russen nog wat olie op het vuur gooiden, wisten de Amerikaanse president Obama en zijn medewerkers zich helemaal geen raad met de situatie in Syrië. Wie daar nog aan twijfelt kan door een insider uit de droom worden geholpen. De diplomaat Philip Gordon was van 2013 tot dit voorjaar speciaal adviseur van president Obama voor het Midden-Oosten. Nu hij het Witte Huis heeft verlaten, schrijft hij onverbloemd over het Amerikaanse gebrek aan strategie voor Syrië en de rest van het Midden-Oosten.

Gordon verwijt dat Obama niet zozeer. In zijn sombere analyse is er domweg niet veel wat de Verenigde Staten kunnen doen om een eind te maken aan het drama in Syrië, en aan de groeiende chaos waarin het Midden-Oosten vervalt. De geschiedenis zit de regering-Obama daarbij danig in de weg.

De lessen van de afgelopen twaalf jaar vatte Gordon in juni in Politico samen in een ontgoochelende opsomming. In Irak hebben we een militaire interventie uitgevoerd en een bezetting, schreef hij, en het resultaat was een kostbare catastrofe. In Libië hebben we een militaire interventie uitgevoerd zónder bezetting – en het resultaat was een kostbare catastrofe. En in Syrië hebben we geen militaire interventie uitgevoerd en ook geen bezetting – en het resultaat is een kostbare catastrofe. Wat kun je eigenlijk nog wél, als supermacht?

Obama zelf zou hierover intens gefrustreerd zijn. Maar hij zou ook beseffen dat meer Amerikaanse inmenging in Syrië de situatie nog heel wat erger kan maken. Hetzelfde geldt trouwens voor Russische inmenging, die de afgelopen dagen is ontketend om het regime van president Assad in Damascus overeind te houden.

Gordon pleit er niet voor om de zaken maar op hun beloop te laten. Maar hij vindt dat het failliet van het Amerikaanse beleid, dat hijzelf mede heeft ontwikkeld, erkend moet worden. Hoog tijd voor een nieuwe benadering, schreef hij een week geleden in Politico.

De training van gematigde oppositiegroepen, waar de Amerikanen hun hoop op hadden gevestigd en waar ze een half miljard dollar in hebben geïnvesteerd, heeft nauwelijks zoden aan de dijk gezet. De gedachte dat de gematigde oppositie een factor van betekenis kan worden, is een hersenschim gebleken.

Ook het idee dat Assad onder druk kan worden gezet om met zijn eigen vertrek in te stemmen, valt niet meer vol te houden. Rusland en Iran zullen alleen toelaten dat zijn regime valt als ze geloven dat hun belangen niet worden bedreigd door wat ervoor in de plaats komt. De vrees dat zijn val de chaos nog zal verergeren – waarvoor de Russen al jaren waarschuwen – is volgens Gordon overigens „niet zonder grond”.

De Amerikaan pleit voor een nieuw diplomatiek initiatief, waarbij niet een bepaald politiek resultaat (bijvoorbeeld het aftreden van president Assad) de hoogste prioriteit moet krijgen, maar onmiddellijke vermindering van het geweld. Bijvoorbeeld door op lokaal niveau deelakkoorden te sluiten – waarbij het Syrische regime zijn luchtaanvallen in een bepaald gebied staakt, en oppositiegroepen in ruil daarvoor hun aanvallen daar stoppen.

Alle regionale machten die de oorlog nu gaande houden, of zelfs aanjagen, van Rusland en Iran tot Saoedi-Arabië, Qatar en de Verenigde Staten, zouden moeten accepteren dat ze nooit zullen bereiken wat ze aanvankelijk zagen als hun doel in deze oorlog. Houden ze daar toch hardnekkig aan vast, zegt Gordon, dan zullen ze alleen maar meer ellende teweeg brengen. Een goede analyse – die helaas nog in de wind wordt geslagen.