Verlangen naar een wereld zonder zwaartekracht

De eenzaamheid die David Vann voelde na zijn vaders zelfmoord werd verlicht door de heldere, lichte wereld in zijn aquaria. ‘Ik heb die jaren niemand verwond, en nu vraag ik me af of dat door de vissen kwam.’

illustratie enkeling

Het klopt dat we ze niet kunnen aaien. Niet tot ze dood zijn in ieder geval. Maar ik heb altijd van vissen gehouden. Toen ik op de middelbare school zat had ik acht aquaria, verspreid door het huis.

Het waren toen allemaal zoetwatervissen. De oceaan was te moeilijk, het uitbalanceren van zout. Achteraf bleek het eenvoudig, maar dat wisten we niet.

Ik had geen telefoon of computerspelletjes en keek zelfs niet veel tv. Ik zat ’s nachts voor mijn aquaria en keek naar de vissen. Dit was in 1980, in Santa Rosa, Californië, ongeveer een uur ten noorden van San Francisco en ik was dertien. Een gezellige buurt op een heuvel, kleine huisjes met drie slaapkamers en aangelegde tuinen. Oak Hill Drive, dat verderop Rolling Hill Drive in krulde.

Dit was ook de tijd van mijn vaders zelfmoord en dat ik zijn wapencollectie erfde en ’s nachts het huis uit sloop om met zijn .300 Magnum op lantarenpalen te schieten en buren op de korrel te nemen. Maar daarvoor, eerder in de nacht, was er een stil moment waarop ik als enige wakker was. Mijn moeder en zusje sliepen, ik was een slapeloze en zou dat dertien jaar lang blijven, en ik voelde een eenzaamheid en afzondering, een pure verlatenheid die angstaanjagender was dan alles wat ik in de vijfendertig jaar daarna heb gevoeld, maar die werd verzacht door deze verlichte, nachtelijke werelden, de helderheid en de warmte van het water, altijd 25,5 graad, en de onmogelijke scheiding van kleur van de vuurstaartlabeo, zo zwart als zijn lijf was, zo fel doorschijnend rood zijn staart. Hangend in de ruimte, niet onder invloed van de zwaartekracht, gedragen door een ander element, zoals wij allemaal gedragen zouden moeten worden.

De vissen werden iets vergroot door de vertekening van het glas en een lichtje dat aan ieder glasvlak kleefde. Een ander licht dan waarin wij leven. Ik verlangde zo hevig naar deze wereld. Zelfs de kleinste expansie van het zelf, een invulling, en deze definitie aan het oppervlak, het zou allemaal zo geruststellend zijn geweest, iets groters dan de ijlheid en leegte van de lucht, de zwakte van ons licht. En de manier waarop zij konden liggen op de bodem, hun vinnen nauwelijks de bodem rakend. Gewichtloos.

Ik wist dat mijn armen en benen vinnen waren, en ik wist dat het vertrek uit het water een vergissing was geweest. Ik wist dat eenzaamheid kwam door lucht. En dat grond niets bood.

De vissen waren niet beperkt in vorm. De Indische modderkruiper had de vorm van een paling, en de clownbotia was een gezwollen vis met een doorsnee postuur, als een dikke zalm die iemand voor de lol had beschilderd. Maar eigenlijk waren het dezelfde vissen, beide met oranje en zwarte banen. Banen die zachte en ronde randen hadden. Als ik lang genoeg naar het zwart staarde, dan kon het oranje naar voren komen, dichter bij mij. Beide vissen hadden deze eigenschap, zo wist ik dat ze hetzelfde waren, boodschappers die gezonden waren om mij iets duidelijk te maken.

Twee jaar later zou ik mijzelf onderdompelen in het transcendentalisme van Walden van Thoreau en een New Age-gelovige worden, zou ik mediteren op het zelf als was het een kaarsvlam, zou ik kolen onder mijn voeten voelen knapperen bij het vuurlopen en zou ik zelfs proberen over water te lopen, niet gelovend in de wereld of enige van haar regels. Maar dat begon allemaal bij de aquaria, die perfecte openingen naar een groter universum. Of die tenminste een soort gevoel van die mogelijkheid gaven. Want is dat niet wat wij nodig hebben als alle betekenis uit ons leven is weggeblazen? Hebben wij het niet nodig dat de randen van dit bestaan zachter worden, verschuiven en ons niet langer opsluiten?

Ik kon terugreiken in die aquaria. De zuignapmeerval met zijn gepantserde staal en ogen zonder diepgang, zonder gedachten. Bruin met een te groot hoofd, rond en plat, en als ik naar zijn luie draaiing door het water keek kon hij een walvishaai zijn, twaalf meter lang, bijna op dezelfde manier gevlekt. Schaal is iets wat altijd fluctueert, onze wereld tegelijkertijd gigantisch en piepklein. Ik had nachtmerries waarin mijn lichaam opzwol en ondraaglijk werd, elke vinger een soort ponton, en als ik wakker werd was mijn hart samengebald en mijn lichaam daadwerkelijk opgezwollen, en dan duurde het te lang voor het bloed weer ging stromen, te lang voor mij om terug te krimpen tot mijn normale maat. Op andere momenten vervaagde ik en werd alles naar binnen getrokken alsof mijn lichaam van snaren gemaakt was, zonder samentrekking in het centrum, maar alleen vertrokken.

Ik ging niet naar een therapeut en vertelde niemand de waarheid. Drie jaar lang zei ik dat mijn vader aan kanker was overleden. Ik gebruikte wapens als een verschrikkelijk surrogaat en haalde de trekker over en over om gaten te schieten in de wereld en hem minder beklemmend te maken. Maar ik had geluk en heb in die jaren niemand verwond, en nu vraag ik me af of dat door de vissen kwam. Geen mens greep in en misschien was er geen innerlijke goedheid of veerkracht in mij, maar alleen deze plekken van water, licht en warmte en het feit dat de vissen geen medelijden met mij hadden, mij niet aan het huilen brachten door te zeggen hoezeer het hen speet van mijn vader, niet dachten dat ik een monster was voor wat ik allemaal uitspookte. Zij hingen alleen maar tijdloos rond en brachten mij terug naar een eenvoudigere geest, tragere hartslag en soepeler ademhaling, een soort primitieve bevestiging dat eenvoudigweg voortbestaan genoeg is.