Tom Lanoye: 'Nederlandse schrijvers hebben schrik voor de volzin'

Wat is de boekensmaak van Tom Lanoye (57)? Hij geeft vanavond de Albert Verweylezing.

Illustratie Emmelien Stavast

Welk boek bent u nu aan het lezen?

„Antjie Krogs Medeweten, een begin dit jaar verschenen tweetalige poeziëbundel waarin de Nederlandse vertaling samen met de oorspronkelijk in het Afrikaans geschreven gedichten zijn opgenomen. De bundel is een staalkaart van alles wat met poëzie kan. Het is opeens geen opgedroogd genre meer. En Krogs taalgebruik is prachtig. Net als Remco Campert ga ik ervan uit dat zij nog de Nobelprijs voor de literatuur zal winnen.”

Welke schrijver benijdt u?

„Mark Schaevers. Ik benijd hem positief vanwege het succes dat hij heeft met Orgelman, zijn toch niet evidente biografie over de in Auschwitz omgekomen schilder Felix Nussbaum. En hij mag de biografie gaan schrijven van Hugo Claus. Het vooronderzoek daarvoor, de onvermijdelijke werkbezoeken aan Rome en Parijs, het lezen van de brieven om door Claus’ charlataneske schrijversleven te prikken. Het lijkt me geweldig.”

Wie is uw favoriete schrijver?

„Hugo Claus is voor mij het grootste literaire fenomeen uit de Nederlandstalige Letteren sinds ze bestaan. Hij heeft in elk genre minstens één meesterwerk gemaakt. Zijn stijl en eruditie zijn van wereldniveau. De echte Grote Drie? Dat zijn uiteraard Willem Elsschot, Louis Paul Boon en Hugo Claus. Van minder naar meer.”

Waar leest u het liefst?

„In Kaapstad naast het zwembad. Ik probeer iedere winter naar Zuid-Afrika te gaan en neem dan altijd een groot project mee, een opdracht. Klassiekers herlezen bijvoorbeeld. Komende winter hoop ik aan de zwembadrand eindelijk Flauberts Madame Bovary te lezen, met de Nederlandse vertaling erbij. Ik mag steeds meer lezingen geven in Franstalig België, word steeds vaker uitgenodigd voor interviews. Ik moet dus nodig aan mijn Frans werken.”

Wanneer stopt u met het lezen van een boek?

„Vroeger bij de laatste zin. Nu stop ik na een kwart als het boek me qua plot, eruditie, empathie of personages niet dwingt om door te lezen. Hoe sneller de dood nadert, hoe minder geduld ik zal opbrengen.”

Bestaat er een essentieel onderdeel dat iedere goede roman bezit?

„Iets heel kleins: een geweldige beginzin, en een goed punchline aan het einde. En een goede stijl natuurlijk, een mooi verhaal alleen is niet genoeg. Voor mij geen boodschappenlijstje. Dat is bij Nederlandse schrijvers nog weleens lastig. Die hebben schrik voor de volzin en schrijven strak, kalig. Nederland heeft een protestantse visie van analyse, Vlaanderen het katholieke van de verbeelding. Kijk maar naar Hugo Claus, Stefan Hertmans of Erwin Mortier. Thomas Rosenboom en A.F.Th. van der Heijden hebben die verbeelding ook, wat hen a-typische Nederlandse schrijvers maakt. Nederlandse literatuur beperkt zich als snel tot het realisme, het exuberante is eraf, alle ornamenten weggesneden. Het is kille overdracht. Misschien heeft het te maken met de huidige tijd: we maken kunst voor mensen die daar eigenlijk helemaal geen tijd meer voor hebben.”

Welk boek moet iedere ouder aan zijn kind voorlezen?

„Ik heb als kind wel toneel leren lezen dankzij mijn moeder, een amateur-actrice. Maar ik ben als kind te weinig voorgelezen, als kleine middenstanders hadden mijn ouders er geen tijd voor, en ik las zelf veel strips. Heerlijk, maar toch: ouders moeten hun kinderen voorlezen. Een onvervangbare ervaring, lijkt me.”

Wat is volgens u de beste boekverfilming?

Satyricon van Federico Fellini, Tarantino’s Jackie Brown, L.A. Confidential, en nog veel meer. Prettig aan Fellini vind ik dat er in zijn films duidelijk geen scriptdokters aan te pas zijn gekomen, geen doelgroepanalyse. In mijn Verweylezing zal ik het hebben over Quentin Tarantino en het verschil tussen True Romance, de film die hij alleen maar schreef, en Pulp Fiction, de film die hij zelf ook regisseerde. True Romance is door regisseur Tony Scott in chronologische volgorde gezet. En kreeg een happy end, conform de wensen van een testpubliek. Bij Pulp Fiction heb je flash forwards en flash backwards. Ook al wordt het personage van John Travolta in het midden van de film doodgeschoten, op het einde speelt hij toch weer mee.. Zo’n literaire structuur: je ziet het nog zelden, films zijn uniformer geworden. Fellini’s ongeremde fantasie, zijn beeldenrijkdom is verloren gegaan met het groter worden van de filmindustrie. Leg Fellini voor aan een hedendaags testpubliek, neem hun reacties op, dan krijg je een satirisch programma.”

Wat is uw favoriete literaire karakter?

„Curzio Malaparte, een schrijver die zichzelf geconstrueerd heeft. Als je zijn boeken leest, zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, ben je constant op je hoede. Zijn verhalen zijn soms zo waanzinnig, zoals een verhaal over een man die door een tank wordt overreden. Het grenst aan het groteske. Je weet als lezer niet altijd wat wel en niet te geloven.”

Zit er een systeem in uw boekenkasten?

„Alfabetisch, met een aparte kast voor poëzie en theater. Onbegrijpelijk overigens dat theater in zoveel kasten ontbreekt.”

Wie is uw favoriete schrijver?

„Hugo Claus is voor mij het grootste literaire fenomeen uit de Nederlandstalige Letteren sinds ze bestaan. Hij heeft in elk genre minstens één meesterwerk gemaakt. Zijn stijl en eruditie zijn van wereldniveau. De echte Grote Drie? Dat zijn uiteraard Willem Elsschot, Louis Paul Boon en Hugo Claus. Van minder naar meer.”

Herleest u boeken?

„Vaak in angst en beven, voor een opdracht. Ik heb net Gangreen I en Gangreen II herlezen van de dit jaar overleden Jef Geeraerts. Ik heb er nog over gediscussieerd bij Stefan Hertmans thuis. Mijn uitspraak tijdens die avond was: hij is onze Louis-Ferdinand Céline. Wat Geeraerts schrijft over de Belgische koloniale periode in Congo is onthutsend. De massamoorden, de volstrekte uitbuiting op massaal én op persoonlijk niveau. Ik werd erdoor weggeblazen. Zijn stijl doet denken aan Henry Miller en opnieuw Malaparte. Veel groteske verhalen. Je weet niet altijd of het realistisch is. In België wordt er nog altijd niet goed gekeken naar de rol die de Belgische strijdkrachten hebben gespeeld in Congo. Wij staan nog niet aan begin van waar men in Nederland zit wat betreft Nederlands-Indië, en de rol die de KNIL daar heeft gespeeld. Geeraerts heeft er serieuze dingen over te zeggen, maar wordt niet altijd even serieus genomen. In Gangreen is er vooral gewezen op de grote hoeveelheid seks. Daardoor is Geeraerts in het rijtje gekomen met Jan Cremer en Jan Wolkers, schrijvers die afrekenden met de muffe jaren vijftig en de seksuele ontluiking van de jaren zeventig hebben vastgelegd. Maar Geeraarts is een veel groter auteur. Hij beschrijft de zwarte keerzijde van Max Havelaar. Gangreen moet je zien als de rewriting van Conrads Heart of Darkness.

Wat is het ergste dat u ooit met een boek hebt gedaan?

„Hoogstens ergens laten liggen, meer niet.”

Over welk onderwerp wilt u in de toekomst nog een boek schrijven?

„De Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen en Antwerpen. Daar wil ik al jaren wat mee doen, omdat daar een enorme lacune is. In Vlaanderen lijkt het soms wel alsof de Tweede Wereldoorlog zich alleen heeft afgespeeld in Amsterdam en in de rest van het buitenland. Voor ons is ’40-’45 een heel getroebleerde periode. Een deel van de Vlamingen, ook kunstenaars, heeft gecollaboreerd met de nazi’s. Terwijl het Nederlandse koningshuis in ballingschap zat in Engeland, bood onze Belgische koning Hitler zijn diensten aan in Brussel. In Nederland is het na de bevrijding feest, in België was het jarenlang onrustig. Betogingen, straatgeweld, een verscheurend referendum, een politieke moord op een parlementariër… En pas nu, zeventig jaar na dato, geven vooraanstaande Vlaams-nationalisten toe dat de collaboratie ‘een politiek-technische vergissing’ was. Die term alleen al! Je voelt aan alles dat dit een ongelofelijk interessante periode is. Als ik dit boek niet ooit schrijf, zal ik mijzelf nooit helemaal kunnen zien als een geslaagd auteur.”

Welke schrijver is ten onrechte in de vergetelheid geraakt?

„Gerald Walschap. Om de kracht van zijn stem. Je kunt Boon en Claus niet begrijpen zonder hem gelezen te hebben. Hij is iemand die een grote internationale stem in Vlaanderen heeft geïmporteerd. Ik vind wel alleen zijn eerste periode als schrijver interessant. Die periode stopt met de Tweede Wereldoorlog. Voor 1940 schrijft hij klassiekers als Adelaïde, Houtekiet, Een mens van goede wil, allemaal geweldige boeken terwijl hij zich ook als essayist volop mengt in maatschappelijke discussies. Daarna is hij te veel gaan schrijven. En begon hij zich op een knullige manier af te zetten tegen jongere schrijvers.”

Wat is het eerste boek dat u als kind las? Dat u zich kunt herinneren tenminste..

„Dat moet Dik Trom geweest zijn. Uitzonderlijk eigenlijk, want veel Nederlandse kinderboeken waren er in mijn jeugd niet in Vlaanderen. Ik kan me niets van Annie M.G. Schmidt herinneren bijvoorbeeld.”

Welk boek hebt u tot uw eigen schande nog niet gelezen?

„Meer boeken van E.L. Doctorow. Zijn Ragtime vond ik geweldig. En ik heb veel te weinig gelezen van de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar Wole Soyinka. Ik was erg onder de indruk van zijn Death and the King’s Horseman, een toneelstuk over Nigeriaanse paardenverzorgers die mee het graf in moeten als hun chief in de strijd omkomt. De Britten hebben daar als koloniaal overheerser een einde aan gemaakt. Soyinka laat zien wat dat voor de inheemse bevolking betekende. Als lezer vraag je je af: hoe pak je zo’n verbod het beste aan? Eenvoudigweg verbieden? Dat kan zomaar het tegenovergestelde effect hebben.”

Wat is het eerstvolgende boek dat u gaat lezen?

Dit is mijn hof van Chris de Stoop, met wie ik samen in de klas heb gezeten op het Sint-Jozef-Klein-Seminarie College in Sint-Niklaas. De liefde voor de taal werd ons daar ingegeven. En wij waren zowat de enige twee kinderen uit de lagere middenklasse, hij de zoon van een boer, ik van een slager. Dat schiep een band. Sindsdien volgen we elkaar en spreken we elkaar geregeld. De Stoop beschrijft in Dit is mijn hof de teloorgang van het Waasland, een vruchtbare streek onder Zeeuws-Vlaanderen. Het is een regio die ik goed ken. Een polderstreek die inderdaad drastisch is veranderd. Ik kan me nog de korenschoven herinneren bij het buitenhuis van mijn ouders. Dat zijn nu allemaal sportvelden, industrieterreinen en percelen met weekendhuisjes. Een landelijk tijdperk dat pijnlijk en reddeloos ten onder gaat... Een beetje zoals in De kersentuin van Tsjechov.”

Op 8 oktober om 20 uur houdt hij in de Leidse Schouwburg de Albert Verwey lezing. Kaarten: stadspodia.nl.