Praten met de spoken

Deze ‘gedundrukte’ bundel verhalen uit de jaren 1940-2007 laten zien hoe Marga Minco alle literaire registers tot in de puntjes beheerst.

Tekening Paul van der Steen

In Het bittere kruid, haar debuutroman uit 1957, vertelt Marga Minco in onopgesmukte taal de geschiedenis van de ondergang van een joods gezin tijdens de Duitse bezetting. Het boek behoort nog altijd tot de beste fictie over dat beschamende hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis. Dat is niet alleen te danken aan wat Marga Minco (pseudoniem van de in 1920 geboren Sara Menco) vertelt, maar ook aan haar zuivere en sobere taalgebruik. En precies dat laatste is haar grote kracht.

Uit Na de sterren, de in de reeks ‘Gedundrukt door Van Oorschot’ verschenen selectie van Minco’s werk uit de jaren 1940-2007, blijkt dat die kracht constant is gebleven. Haar proza leest bijna alsof het gisteren werd geschreven, zo helder en indringend is het, zo goed van sfeer en zo vol verdiepende waarnemingen. Door zich op het kleine, ogenschijnlijk onbelangrijke te richten, weet Minco bovendien het tragische luchtig op te dienen, waardoor het des te schrijnender wordt. Ze lijkt daarin op haar grote voorbeeld Tsjechov. Kortom: Minco beheerst alle registers waarover een schrijver maar kan beschikken. Je zou bijna zeggen dat dit zo is geweest vanaf de dag waarop ze voor het eerst een pen op papier zette.

De nu uitgegeven bundel geeft een goed inkijkje in dit tijdloze talent. Behalve de korte, nog altijd steengoede roman Een leeg huis (1966), staan er drieëntwintig thematisch uiteenlopende verhalen in, die in de loop der jaren in allerlei tijdschriften en bundels zijn verschenen. Een uitzondering is ‘Het lelijke knikkertje werd mooi’, dat in december 1940 in het Algemeen Handelsblad werd gepubliceerd. Het is een kinderverhaal met vermakelijke zinnen, zoals: ‘Want knikkers zijn grote ijdeltuiten.’

Knikkermassa

Een lelijk knikkertje wordt door zijn soortgenoten geplaagd. Ongelukkig als het is, rolt het weg uit de grote knikkermassa en belandt het bij een lijstenmaker. In zijn atelier valt het in een bad van goud en is het ineens beeldschoon. Terug bij de andere knikkers wordt het alleen nog maar bewonderd. Ze herkennen hem niet. Pas als hij openbaart wie hij is, komt de moraal om de hoek kijken: ‘omdat ik altijd zo braaf ben geweest en nooit een ander geplaagd heb, ben ik van goud geworden.’ Het is een ontroerend slot, dat, waarschijnlijk onbedoeld, een diepere betekenis krijgt als je beseft wanneer het is gepubliceerd.

De eerste verhalen in deze bundel zijn tragikomisch van aard. Ze spelen zich af in het benepen Nederland van de jaren vijftig. Minco weet die sfeer soms briljant neer te zetten. Eenzame huisvrouwen, die weinig met hun mannen delen, charmante, maar venijnige oplichters, oude vrijsters die het slachtoffer zijn van hun dominante vader en alles vergoelijkende moeder, een teruggekeerde vroegere geliefde, een tobbende schilder die niet van zijn plaats komt en uiteindelijk door zijn vrienden op de trein naar Griekenland wordt gezet, het is allemaal even geestig, benauwend en goed geschreven.

Toch is Minco op haar allerbest als ze over de naweeën van de oorlog schrijft. In Na de sterren begrijp je dat meteen als je het vierde verhaal, Het adres (1957), leest. Het gaat over een jonge joodse vrouw, die na de bevrijding bij een kennis van haar door de nazi’s vermoorde moeder op bezoek wil gaan. Die vrouw heeft, zogenaamd welgemeend, maar in werkelijkheid uit cynische hebzucht, kostbaarheden zoals het tafelzilver uit het ouderlijk huis van de vertelster willen ‘redden’. Als de vertelster bij het huis van deze ‘bewariër’ aanbelt, twijfelt ze eerst of ze wel aan het goede adres is. Totdat ze ziet dat de vrouw een vest van haar vergaste moeder draagt. De vrouw schrikt. En dan lees je enkele zinnen, die de naoorlogse onverschilligheid van veel Nederlanders over het tragische lot van hun joodse landgenoten typeert:

‘„U hebt mijn moeder toch gekend?” vroeg ik.

„Ben je teruggekomen? Ik dacht dat er niemand teruggekomen was.”

„Alleen ik.” Achter haar in de gang ging een deur open en dicht. Er kwam een muffe lucht naar buiten.

„Het spijt me, ik kan niets voor u doen.”’

In het verhaal ‘Terugkeer’ (1965) richt Minco zich op het echtpaar Goldstijn, dat tweeënhalf jaar ondergedoken heeft gezeten op het platteland. Hun twee kinderen hebben de oorlog niet overleefd. Zelf zijn ze op het platteland blijven wonen, om herinneringen aan vroeger te ontlopen. In hun grote huis in de stad wonen nu drie andere gezinnen.

Ronddolen

Meneer Goldstijn doolt soms rond in zijn oude woonplaats, die voor hem een spookstad is geworden. Als hij een bekende tegenkomt, doet die alsof er niets aan de hand is: ‘„Hé, meneer Goldstijn, u weer hier?”

Dan zei hij ja.

„Hoe is het met u?”

Hij zei dat het goed met hem was.

„En hoe is het met uw vrouw en kinderen?”

Hij zei dat het met zijn vrouw ook goed was. De kinderen.

Hij schudde het hoofd. Even viel er een stilte. Dan vroegen ze naar de andere familieleden uit de stad. Opnieuw schudde hij het hoofd.’

Beter kun je het ongemak tussen overlevenden van de naziterreur en hun niet-joodse landgenoten niet onder woorden brengen. Minco gaat nog een stap verder, wanneer ze meneer Goldstijn zijn eveneens door de stad dwalende vrouw laat tegenkomen. De eenzaamheid van beiden is dan compleet. Want ook met elkaar kunnen ze amper over hun leed praten.

In Een leeg huis, dat na het recente en felle debat tussen enkele Nederlandse historici over wat niet-joden van de uitroeiing van de joden wisten misschien nog wel aan betekenis heeft gewonnen, benoemt Minco dat zwijgen met één krachtige zin, als ze het joodse meisje Yona, de enige overlevende van haar familie, over zichzelf laat zeggen: ‘De een los- en de ander vastgeslagen.’ Vastgeslagen aan een gruwelijk verleden, dat zich niet laat verdringen en dat je met niemand kunt delen.