Nu niet zo rebels meer

Er schuilt iets paradoxaals in een tentoonstelling over graffiti, hoe hip die ook is ingericht: de bijzetting in de schrijn van het museum is erkenning maar ook de kus des doods. Wat begon als opstandigheid van artiesten die de stad als één groot doek beschouwden, wordt in het museum een aandoenlijke mengeling van esthetiek en nostalgie.

Het Amsterdam Museum wijdt nu in samenwerking met het Museum of the City of New York een uitgebreide expositie aan graffiti. New York zette de toon, met ‘schrijvers’ als Crash, Sharp, Daze en Zephyr. Het museum toont onder meer hun schetsboeken: ‘blackbooks’.

Amsterdam had een eigen graffiticultuur met bijvoorbeeld Niels ‘Shoe’ Meulman, Dr. Rat en Aileen Middel – artiestennaam Mick LaRock – die gastcurator is. „Wij werken naar Amerikaanse voorbeelden”, zei Shoe in 1986, volgens het boek bij de expositie.

Blackbooks van Nederlanders heeft het Amsterdam Museum niet, maar wel iets veel groters: een stuk van de schutting rond de bouwput van de Stopera waarop Hugo Kaagman zijn karakteristieke sjabloon-graffiti aanbracht. De metrotunnel onder het Waterlooplein was één reusachtig archief van ‘tags’ en, vanaf 1983, muurvullende ‘pieces’.

Graffiti heeft zich ontwikkeld van protestuiting tot geaccepteerde kunst. Het was ooit gevaarlijk en spannend in het pikkedonker op het emplacement treinen te beschilderen, maar als je door de tentoonstelling loopt krijg je het gevoel dat graffiti op canvas aan rebelsheid heeft ingeboet. Het Amsterdam Museum geeft een lekker wild beeld van de hoogtijdagen van deze verzetskunst. Maar de domesticatie sluimert door de spuitbusverf heen.