Met vertrek Bouman is de Nationale Politie er nog lang niet

Gerard Bouman zou nog bijna vier jaar korpschef blijven, zei hij twee maanden geleden. Nu stapt hij toch op. Doodmoe.

Korpschef Gerard Bouman, gisteren bij de bekendmaking van zijn vertrek. Foto BAS CZERWINSKI/ANP

Het vraaggesprek met deze krant vond plaats op zijn Haagse werkkamer, en de korpschef van de Nationale Politie Gerard Bouman was buitengewoon stellig. Het hardnekkige gerucht dat hij nog dit jaar bekend zou maken op te stappen, klopte niet. Integendeel, zei hij desgevraagd.

„Ik ben benoemd tot 1 januari 2019 en ik ben vast van plan die termijn vol te maken. Ik zie als korpschef hoe godsgruwelijk hard er wordt gewerkt bij de politie. Ik ken zo veel begeesterde collega’s die met hart en ziel bij de politie zitten. Ik zie niet hoe we de organisatie sneller kunnen veranderen dan we nu doen. Het belangrijkste is dat de politieprestaties nog nooit zo goed zijn geweest als nu. Door de aandacht voor alleen maar incidenten wordt ons ontzettend veel onrecht aangedaan.”

Dat interview was minder dan twee maanden geleden. Bouman had naar eigen zeggen een goede reden te blijven. Agenten vertelden hem immers steeds hetzelfde: „Gerard, we willen dat je blijft. Dat hoor ik om de haverklap. Ik hoor dat agenten blij zijn met het nieuwe uniform, een nieuw pistool, met nieuwe verbindingsmiddelen. En al dat gekanker op de ICT komt ook op zijn eind.”

Een hekel aan aflakken

Bouman (63) schreef gisteren iets heel anders op het blog waar hij zijn vertrek toelichtte. „De tijd is aangebroken om het stokje over te dragen”, schrijft de korpschef. „Ik bouw graag huizen, maar heb een hekel aan het aflakken van het kozijn en de plinten. Wij naderen de fase waarin wij stap voor stap zaken verder moeten afronden en in balans brengen. Daar leent mijn karakter zich nu eenmaal minder voor”, aldus Bouman.

Waarom is de baas van de politie in zo’n korte tijd opeens tot de conclusie gekomen dat iemand anders „de immense klus”, zoals Bouman het nu noemt, van de politiereorganisatie af moet maken?

Gistermiddag gaf de korpschef zijn naaste collega’s een toelichting over het nieuws van zijn vertrek, dat ’s ochtends al aan de buitenwereld was uitgelekt. „Ik heb voor 100 procent dit besluit zelf genomen.” Hij is het leven van „werk, werk, werk” en nooit eens een ongeschonden vakantie zat.

Dat is ook de mening van de voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad, en fan van Bouman, Frank Giltay. „Gerard heeft heel lang getwijfeld, maar concludeerde uiteindelijk dat beter iemand anders het karwei kan afmaken. Er waren zo veel krachtenvelden tegen hem, zoals de politiebonden en het departement. Niemand hielp hem”, zegt Giltay.

Bouman zou ook niet door de minister te verstaan zijn gegeven dat hij beter kon opstappen. „Dat werkt bij Bouman ook niet. Als je hem naar de uitgang wilt duwen, zegt hij: ‘probeer het maar’ en gaat dan terugduwen.”

Bezweken door druk

Volgens minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) toont Bouman „inzicht” nu hij een opvolger de resterende klussen van de haperende reorganisatie gunt. „Daarmee toont hij leiderschap”, schrijft de minister in een brief aan de Tweede Kamer.

Onder hooggeplaatste collega’s van Bouman valt evenwel te vernemen dat de korpschef het afgelopen weekeinde is bezweken door aanhoudende druk van het departement en de bonden. Voormalig motoragent Bouman kon goed opschieten met Opstelten, maar heeft minder met diens corporale opvolger Van der Steur.

En Bouman had ook steeds vaker aanvaringen met de baas van het Openbaar Ministerie, Herman Bolhaar. Vooral over de door de minister verlangde versterking van de recherche verschilden de twee regelmatig van mening.

Volgens politiebond NPB klopt het beeld niet dat Bouman gisteren bij zijn vertrek schetste. De Nationale Politie is bepaald geen „stevig en overtuigend bouwwerk, dat alleen nog hoeft te worden afgelakt en van plinten voorzien”, aldus NPB-voorzitter Han Busker.

Het opstappen van Bouman is voor de bonden nog niet genoeg. „Onze kritiek had zeker ook betrekking op het doen en laten van de andere hoofdrolspelers, met name de overige leden van de korpsleiding en natuurlijk het ministerie van Veiligheid en Justitie.”