Laat uw verhalen alstublieft thuis

Illustratie Joost Hölscher

‘Ze waren voorbijgangers, ze lieten geen sporen en geen herinneringen na’. Dit is het beeld dat Tommy Wieringa van vluchtelingen neerzet in zijn roman Dit zijn de namen, en dat naadloos past bij de manier waarop we kijken naar de vluchtelingen die nu het nieuws beheersen. Tenminste, zo willen we ze graag zien: voorbijgangers zonder vaste identiteit. Wie een nieuw land zoekt en daarmee een nieuwe identiteit, moet zijn geschiedenis achter zich laten. Dat is de prijs die voor onze gastvrijheid betaald moet worden. Diederik van Vleuten citeerde in De Wereld Draait Door nota bene historicus H.W. von der Dunk, die het over ‘de gehalveerde mens’ had; de noodzakelijke vlucht van thuis levert blijkbaar een mutatie op. Misschien ook daarom vond de paus het nodig om tijdens zijn bezoek aan de VS een oproep te doen om de vluchtelingen een gezicht te geven, in plaats van alleen in termen van getallen te praten. En hij liet het niet bij een oproep: een vijfjarig meisje wist ‘spontaan’ door de beveiliging te komen, het zou wel eens een van haar eerste nieuwe herinneringen kunnen worden. De paus is echter geen romanschrijver, aan het vastleggen van herinneringen van anderen doet hij niet.

Trouwens, ook romanschrijvers wagen zich daar niet graag aan – veel literatuur over gevluchte mensen, gaat eigenlijk over ballingen. En dat is iets anders: een balling neemt zijn identiteit mee en wordt weggestuurd uit zijn land om persoonlijke redenen. Hij kan elders terecht met zijn sporen en herinneringen, hij hoeft die niet los te laten juist ómdat zijn geschiedenis zijn identiteit vormt. Al sinds Adam en Eva – die als eersten in de geschiedenis om hoogst persoonlijke redenen verbannen werden – worden de verhalen over deze bannelingen steeds doorverteld. Het ‘zelfgekozen’ vertrek van een vluchteling daarentegen heeft geen persoonlijke achtergrond. Welk land het was dat je achterliet, is niet meer relevant in het land van aankomst. Het is vooral zaak je zo snel mogelijk aan te passen. Ook heb je maar zelden te kiezen naar welk land je gaat. De vlucht is de initiatie, de aankomst de wedergeboorte, en dan begint het verhaal pas. Dat ze geen ‘gezicht’ hebben en niet meer zijn dan een nummer of getal is ook precies wat het voor een schrijver lastig maakt om over vluchtelingen te schrijven.

Land van aankomst

Romans die ballingen links laten liggen en voor de vluchteling kiezen, zijn er natuurlijk wel; het is een uitdaging om de blanco geworden wereld in te vullen. Zo zijn Exodus van Leon Uris, The Painted Bird van Jerzy Kozinski, Speak, Memory van Nabokov, Flucht in den Norden van Klaus Mann, Ongeboren Christoffel van Carlos Fuentes, En de akker is de wereld van Dola de Jong en The Pick Up van Nadine Gordimer allemaal klassiekers die de wedergeboorte van de vluchteling vormgeven, door ze een gezicht te geven, als individuen op weg naar een land van aankomst waar een ‘paradijs’ te vinden zou moeten zijn.

Het zijn geen idealistische boeken (ze zijn soms genadeloos over de landen waar hun personages naartoe trekken), maar het uitgangspunt is optimistisch: wie vlucht, begint aan een nieuw leven. Dat geldt natuurlijk nog sterker voor romans over gevluchte slaven, uittochten uit kolonies of uit oorlogsgebieden. Het is niet zozeer de anonieme vlucht, maar de persoonlijke ontheemding die daarbij om de hoek komt kijken.

Dave Eggers

Het verlangen de vluchteling een gezicht te geven is de basis geweest voor veel romans. Schrijvers hadden daarbij vaak de bedoeling om de publieke opinie te beïnvloeden. Dat is niet eenvoudig in een tijd waarin de opinie vooral kantelt op het moment dat Michelle Obama Bring Back Our Girls tweet, of wanneer een fotogeniek, verdronken kind op het strand wordt gevonden.

Toch zijn er schrijvers die dat ook in Nederland geprobeerd hebben. Karel Glastra van Loon deed dat in opdracht van de Stichting Vluchtelingen, om over gevluchte Birmesen te schrijven in De onzichtbaren. Dave Eggers slaagde erin om Darfur een gezicht te geven, door het vluchtverhaal van Valentino Achak Deng te fictionaliseren in What Is The What. Zelf had Eggers overigens niet veel verwachtingen van wereldverbetering door romans. In deze krant (Boeken, 15.06.07) zei hij:

„Je moet niet de illusie hebben dat je iets kunt veranderen, maar je kan de mensen wel wakker schudden”.

Hij was misschien te bescheiden: zijn boek is bepalend geweest voor een nieuw soort roman over vluchtelingen in de Engelstalige literatuur.

 

Afgesloten wereld

Onder anderen Monica Ali, Marina Lewycka en Zadie Smith schreven romans over vluchtelingen die in een Engelse afgesloten wereld zitten: een keuken, ambassade of een onbestemde plek waar het een hele zomer niet regent (een onwaarschijnlijk gegeven in Engeland). Met Valentino Achek Deng loopt het goed af, maar deze drie vrouwen schetsen het beeld van de vluchteling die niet welkom is. Bij Ali is het zelfs zo dat diegene met het minst dramatische verhaal de meeste kans heeft te mogen blijven, omdat die het minste ongemak veroorzaakt.

Ook in Nederlandse romans wordt geprobeerd de vluchteling een gezicht te geven. Kader Abdolah bijvoorbeeld brengt in zijn romans de wereld van de vluchteling en die van het land van aankomst samen. In La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer worden verschillende typen vluchtelingen in Genua confronterend naast elkaar gezet. Veel Nederlandse vluchtelingenromans zijn hard. In de boeken van Tommy Wieringa, Elvis Peeters, Dimitri Verhulst of Arnon Grunberg blijft er voor de personages weinig reden over om nog ergens op te hopen. Bij Verhulst is in Problemski Hotel een asielzoeker aan het woord met de naam Bipul Masli (de achternaam is een anagram van islam). Hij beschrijft zijn medeasielzoekers zonder enig mededogen; een schoolvoorbeeld van cynisme. Elke vorm van optimisme is de grond in geboord.

Voor de vluchtelingen in Elvis Peeters’ De ontelbaren geldt hetzelfde. Ook bij hem draait het om asielzoekers in België. Hij beschrijft een ongenoemd gehucht waar de vluchtelingen verwelkomd worden met het mantra ‘ze zijn met te veel, ze zijn met teveel.’ Anders dan bij Verhulst gaat het hier om hoe een dorp ontwricht raakt door de komst van een stroom asielzoekers. Wie de overtuiging heeft dat fictie werkelijkheid kan worden, doet er goed aan De ontelbaren niet te lezen om niet al te somber te worden.

Ook voor Grunbergs asielzoeker valt er weinig te hopen. Hier heeft de Algerijnse asielzoeker in de gelijknamige roman wel een naam (Raf), maar hij wordt het hele boek door ‘de asielzoeker’ genoemd – een verwijzing naar Camus’ L’étranger. Bij Grunberg moet de Algerijn het doen met het clichébeeld:

Voor een asielzoeker ziet de man er goedgekleed uit; hij draagt tenminste geen broek die hem een paar maten te klein is,

 constateert de hoofdpersoon. De asielzoeker komt terecht bij een echtpaar waarvan de man de mensen altijd probeerde

‘te bewegen om hoop op te geven, die in de meeste gevallen uiteraard vals en bedrieglijk was’.

Maar dat is een onmogelijke opdracht: de hoop opgeven is jezelf opgeven, en vluchtelingen of asielzoekers zullen ook in hun land van aankomst een gezicht krijgen. Maar dat is niet gemakkelijk, in bijvoorbeeld de roman van Wieringa, waar de vluchtelingen onbestemd rondlopen richting westen en waar niemand ze verstaat. De zoekenden beseffen dat ze ‘mensen zonder geschiedenis zijn geworden, die leven in een acuut heden’. Hun omgeving is anoniem.

Geen liefde of sympathie

Het sterkst wordt hiermee gespeeld door J.M. Coetzee. Zijn roman De kinderjaren van Jezus is misschien wel de meest wrange versie van wat een vluchteling te wachten staat in de toekomst. Want waar de anderen nog sympathie voor de vluchteling weten op te roepen – soms nadrukkelijk en in opdracht zoals bij Glastra van Loon, en soms een beetje tegen wil en dank, zoals in Problemski Hotel waar de asielzoekers niet bepaald aardige lui zijn –, heeft Coetzee een duidelijk advies. Creëer geen liefde of sympathie, want wie dat doet bouwt ook een geschiedenis op. Waar ze die bij Wieringa achterlaten om die daarna opnieuw weer op te bouwen, wordt elke vorm van verleden bij Coetzee verboden.

Bij Coetzee komen een man en een kind per bootje aan, zonder papieren, zonder identiteit. Ze zijn welkom, juist omdat ze identiteitloos zijn en dus nog te kneden tot modelburger. In plaats van liefde wordt welwillendheid geboden, een veilig gevoel omdat welwillendheid geen banden tussen mensen suggereert en waardoor er dus ook geen gezamenlijke geschiedenis wordt opgebouwd. Barmhartigheid is bij Coetzee het devies in de anti-utopie waar vluchtelingen welkom zijn.

De romans over vluchtelingen hebben flink wat scenario’s geboden – van ellende in een Vlaams dorp tot en met een wereld waar niets meer dan barmhartigheid geboden mag worden. En dan heb je ‘onzichtbaren’ (Glastra van Loon), ‘ontelbaren’ (Peeters) of louter ‘namen’ (Wieringa). Abstracte entiteiten, géén mensen. En dan blijkt dat fictie je andermaal hard confronteert met de onoplosbaarheid der dingen.